Polybius: profeet van het eind van de Romeinse Republiek

De Historíai van Polybius worden vaak gezien als een verheerlijking van de Romeinse staatsinrichting. Hierdoor heeft Polybius in de ogen van sommigen het imago van een collaborateur gekregen.[1] Uit zijn beschrijving van de Romeinse staatsvorm blijkt weliswaar dat hij deze staatsvorm als superieur ziet.[2] De Romeinse staatsvorm is volgens hem echter niet uitgesloten van anakyklosis, het cyclische model dat hij omschrijft.[3] Daarmee geeft hij toe dat de Romeinse staatsvorm niet perfect is en voorspelt hij de val van de Romeinse republiek en de overgang naar het keizerrijk.

Thomas Cole, Destruction (1836).

De kringloop van staatsvormen wordt volgens Polybius door middel van een natuurlijk proces doorlopen.[4] Volgens Polybius is dit natuurlijke proces in het bijzonder van toepassing op de Romeinse staatsvorm. Deze is volgens hem namelijk: ‘van het begin af op natuurlijke wijze gevormd en gegroeid’.[5]

Hij benoemt daarnaast expliciet dat de door hem beschreven natuurlijke orde niet enkel inzicht kan geven in het ontstaan van de Romeinse staatsvorm, maar ook in de toekomst, namelijk: ‘de verandering in omgekeerde richting die hierop zal volgen’. Juist omdat de Romeinse staatsvorm zich altijd op natuurlijke wijze heeft ontwikkeld zal deze dat ook blijven doen.[6]

Volgens het cyclische model van Polybius zal een democratie ten val komen wanneer er een jacht op ambten ontstaat en het volk gecorrumpeerd wordt. Als gevolg hiervan zal er een geweldsheerschappij ontketend worden en het recht van de sterksten worden nageleefd. Uit deze omstandigheden zal een ambitieuze en onverschrokken leider opstaan en er ontstaat opnieuw een alleenheerschappij die weer kan uitgroeien tot een monarchie waarin de heerschappij op basis van vrijwilligheid wordt verleend.[7]

Tijdens de late Republiek vonden steeds meer politieke rellen plaats in Rome. De conflicten tussen de populares en de optimates zouden leiden tot een burgeroorlog. Hierin zouden militaire leiders steeds machtiger worden. De ambitieuze generaal Julius Caesar vergaarde veel invloed en werd verkozen tot dictator en consul voor het leven, een ontwikkeling richting de “vrijwillig” toegekende alleenheerschappij.[8]

Uiteindelijk zou Augustus de facto alleenheerser worden door meerdere ambten tegelijk aan te nemen en de staatsindeling te hervormen. De senaat bleef bestaan en enige invloed hebben, de macht was echter niet meer in handen van het volk en een groep aristocraten, maar van de heerser die later keizer genoemd zou gaan worden.[9]

Concluderend kan worden vastgesteld dat Polybius in de tweede eeuw voor Christus al de val van de Romeinse republiek en de overgang naar het keizerrijk heeft voorspeld. Het proces dat hij beschrijft, waarin een democratie vervalt en weer terugkomt op een alleenheerschappij, vertoond grote gelijkenissen met de geschiedenis van de late republiek en zodoende kan Polybius worden gezien als een visionair. s

Bronnen

[1] A.M. Eckstein, Moral vision in the Histories of Polybius (Berkeley 1995) 194-195; D. Inglis en R. Robertson, ‘From republican virtue to global imaginary: changing visions of the historian Polybius’, History of the Human Sciences 19:1 (2006) 1-9.
[2] Polybius, Wereldgeschiedenis, vert. W. Kassies (Amsterdam 2007) 6.10.14.
[3] Ibidem, 6.9.12-6.9.14.
[4] Ibidem, 6.7.1-6.9.10.
[5] Ibidem, 6.4.13.
[6] Ibidem, 6.9.12-6.9.14.
[7] Ibidem, 6.9.4-6.9.9, 6.4.2.
[8] J.P. McKay e.a., A History of Western Society (12e editie; Boston 2017) 141-149.
[9] Ibidem, 154-155.

Met kritische blik: recenseren van publicaties over de Contrareformatie

Op een kritische manier kijken naar bronnen is een belangrijk onderdeel van de geschiedwetenschap. Vandaar dat het recenseren van publicaties erg zinvol is. Door middel van recensies kunnen we namelijk beoordelen of een publicatie relevant is voor een onderzoeksvraag. Het is van belang dat een recensie voldoende aspecten van de publicatie behandeld. Om dit te illustreren wordt in dit essay een vergelijking gemaakt tussen twee recensies van publicaties over de Contrareformatie. Namelijk Johanna Roelevink’s recensie van Reformatie in Brabant en Craig Harline’s recensie van The Ashgate Research Companion to the Counter-Refomation.

Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566.

Om te beginnen komt de vraagstelling van de publicatie kort aanbod. Zowel Roelevink als Harline geven duidelijk een onderwerp en een afbakening aan in tijd, plaats en historisch domein. [1] Over de methode die is toegepast wordt vooral de invalshoek behandeld. Er wordt echter weinig gezegd over het brongebruik. Al geeft Roelevink wel aan dat de bronnen volgens haar op een goede manier zijn gebruikt.[2]

Harline geeft aan hoe de publicatie zich verhoudt tot het historisch debat door aandacht te besteden aan hoe de auteurs omgaan met discussies rond de term Contrareformatie. [3] Zowel Roelevink als Harline benoemen wat de publicatie toevoegt aan de kennis over het onderwerp en hoe de visie van de auteurs aansluit op die van historici die zich met het zelfde onderwerp bezighouden.[4] Bij het formuleren van een eigen visie geeft Roelevink voornamelijk aandacht aan het perspectief waaruit die visie tot stand is gekomen, waar Harline ook aandacht geeft aan de argumentatie. [5]

Casussen worden ook besproken. Roelevink beschrijft de casussen in de vorm van een doorlopend verhaal. Harline betrekt echter de structuur van het boek erbij. [6] Op die manier geeft hij een duidelijk beeld van wat er belicht wordt in de publicatie. Hij staat namelijk stil bij een aantal hoofdstukken en geeft kort aan hoe die zich tot elkaar verhouden en hoe ze zijn veranderd ten opzichte van eerdere edities. Tot slot benoemt Harline kort enkele verbeterpunten.[7]

Harline richt zich in zijn recensie heel duidelijk op de inhoud van de publicatie en het huidige historische debat. Daarentegen is in Roelevink’s recensie het verschil niet duidelijk tussen wat haar eigen visie op het onderwerp is en wat de auteur in het boek heeft behandeld. Bovendien komt ze met een aantal niet beargumenteerde conclusies, zoals: ‘The Dutch province of Noord-Brabant has long suffered from an inferiority complex’.[8]

Concluderend kunnen we zeggen dat Harline in dit geval de meest nuttige recensie heeft geschreven voor een historicus die wil beoordelen of hij de betreffende publicatie kan gebruiken voor zijn onderzoek. Harline weet een omvangrijke editie kort en krachtig toe te lichten op een wijze die aan de lezer de toegevoegde waarde voor diens onderzoek duidelijk maakt, zonder dat hij daarbij teveel met zijn eigen visie op het onderwerp bezig is. Hij geeft een verdeling van de hoofdstukken en een globale indruk van de inhoud, waarbij hij in voldoende mate benoemt hoe de publicatie zich verhoudt tot het historisch debat.

Bronnen

[1] Craig Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation by Bamji, Janssen and Laven (review)’, Renaissance Quarterly, 67:1 (2014) 291-292; Johanna Roelevink, ‘Reformatie in Brabant: Protestanten en katholieken in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, 1523-1634 by van Gulp (review)’, Renaissance Quarterly, 67:3 (2014) 1030-1031.
[2] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031.
[3] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 292.
[4] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291; Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031.
[5] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031; Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 292.
[6] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1030-1031; Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291.
[7] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291.
[8] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1030.

De agon-gedachte: de dood of de gladiolen

De oude Grieken associëren we vandaag de dag vaak met sport en atletiek. Ze waren immers de grondleggers van de Olympische spelen. Het ging de Grieken echter niet alleen om sport. De grote drang tot competitie kwam in vele vormen tot uiting. Schoonheidswedstrijden, dichtwedstrijden, danswedstrijden, zangwedstrijden, pottenbakkerswedstrijden en zelfs wolkamwedstrijden.[1][2] De competities waren vaak gekoppeld aan een tempel. Zelfs een begrafenis was aanleiding voor competitie, neem bijvoorbeeld de paardenrace in Homerus’ Ilias.[3] Deze competitiedrang kunnen we vatten met de term agon-gedachte.[4]

Eerzucht was een belangrijke drijfveer. Er bestonden geen teams, het ging om de individuele eer van de atleet en daarmee ook die van zijn voorvaderen en thuisland. Zo beschreef Pindaros in het gedicht dat hij opdroeg aan een bokskampioen van het eiland Aigina de macht van de mythische koning Aiakos van Aigina, waarmee de prestatie van de atleet met de prestaties van zijn eiland in verband wordt gebracht.[5] Bovendien werden er enkel persoonlijke records bijgehouden, zoals hoe vaak een bepaalde atleet had gewonnen.[6]

Voor de Grieken ging het enkel om de eerste plaats. Je was winnaar of verliezer.[7] Na afloop van de eerdergenoemde paardenrace wil Achilles de verliezer uit medelijden een troostprijs geven. De eigenaar van het paard dat tweede was geworden wordt echter woedend en wil zijn prijs niet af staan, de ander heeft immers verloren.[8]

Deze mentaliteit van alles of niets zag je ook terug in de oorlogvoering. Men streefde naar een overwinning of een dood op het slagveld.[9] In Thucydides’ beschrijvingen van de Peloponnesische Oorlog plegen de inwoners van een onderworpen stad liever zelfmoord dan dat ze ter dood veroordeeld worden.[10] Dat het principe van de overwinning of de dood voor zowel sport als oorlog gold blijkt uit inscripties die op graven zijn gevonden waar de atleet of soldaat Zeus vraagt om de overwinning of de dood.[11]

Uit deze gedachte kwam een sterk eergevoel voort met een afkeer voor valspelen. Een wedstrijd of man-tot-man gevecht werd namelijk gezien als door de goden bepaald.[12] Pindaros noemde Olympia immers de koningin van de waarheid en riep de goden aan in zijn overwinningsgedichten.[13] Uit Thucydides beschrijvingen van het moreel verval ten tijde van burgeroorlogen blijkt zowel dat hij de handelingen van de beschreven personen veroordeelt door hun oneervolle handelswijzen maar ook dat hij hun eerzucht ziet als voortgekomen uit een onbedwingbare hartstocht.[14]

Samenvattend kunnen we de agon-gedachte definiëren als een prestatiedrang voortgekomen uit eerzucht, waarbij het draait om het overtreffen van anderen. Naast individuele eer ging het hierbij ook om de familie en de afkomst. Uit de agon-gedachte kwam een sterk eergevoel en een verheerlijking van prestatie voort.[15]

Bronnen

[1] W. Burkert, Greek Religion. Archaic and Classical (Oxford 1985) 105.
[2] M. Golden, Sport and Society in Ancient Greece (Cambridge 1998) 28-29.
[3] Homerus, Ilias, Boek 23 468-513, 358-359.
[4] M.I. Finley en H.W. Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid (2e druk; Amsterdam 2004) 41-44.
[5] Pindarus, Achtste Olympische Ode, P. Lateur vert., 1-4.
[6] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[7] Ibidem.
[8] Homerus, Ilias, Boek 23 468-513, 358-359.
[9] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[10] Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, M.A. Schwartz vert. (1986) Boek 3.82-83, 184-187.
[11] W.E. Sweet, Sport and Recreation in Ancient Greece (New York 1987) 118-119.
[12] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[13] Pindarus, Achtste Olympische Ode.
[14] Thucydides, De Peloponnesische Oorlog.
[15] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid; Golden, Sport and Society in Ancient Greece.

De Reformatie was geen gebeurtenis maar een proces

Wanneer men het over de Reformatie heeft denkt men vooral aan gebeurtenissen in de 16e eeuw. Het spijkeren van de 95 stellingen van Luther wordt vaak als beginpunt gezien, maar die gebeurtenis heeft waarschijnlijk nooit plaatsgevonden.[1][2] Er is niet één enkel beginpunt aan te wijzen voor de Reformatie omdat het vooral een ontwikkeling over langere tijd is geweest. De Reformatie vond bovendien niet overal gelijktijdig plaats[3] en op sommige plaatsen ook onafhankelijk van elkaar. Zo had de Zwitserse hervormer Zwingli in dezelfde tijd vergelijkbare ideeën ontwikkeld onafhankelijk van Luther[4]. Hervormer Johannes Hus stichtte zelfs een onafhankelijke kerk in Bohemen een eeuw voor Luther zijn ideeën kenbaar maakte. [5] De eerste pogingen tot Reformatie vonden dus al plaats in de middeleeuwen.

Geromantiseerde uitbeelding van het verhaal dat Luther zijn “95 stellingen” op de deur van de slotkerk te Wittenberg gespijkerd zou hebben (Ferdinand Pauwels, 1872).

In de Renaissance kwam de ideologie van het Humanisme op. Humanisten hechtte grote waarde aan teksten uit de klassieke oudheid. Enerzijds werden ze gekenmerkt door de drang terug te gaan op de klassieken en anderzijds trokken ze juist bestaande kennis in twijfel[6]. Het Humanisme verspreidde zich vanuit Zuid-Europa naar Noord-Europa waar christelijke Humanisten de klassieke filosofie met het christelijke geloof probeerde te verenigen. De belangrijkste christelijke Humanist was Erasmus die door zijn observaties over het belang van Bijbelstudie en zijn wens de Bijbel toegankelijk te maken vaak wordt gezien als een voorloper van de hervormers. Erasmus was echter tegen een breuk met de kerk en vond dat hervormingen intern doorgevoerd moesten worden.[7][8]

Humanisten hadden grote invloed op het onderwijs van Europa. Filosofie en klassieke teksten gingen een prominente plaats innemen.[9] Omdat Europeanen grote honger naar kennis hadden ontstonden ook steeds meer universiteiten. In Zuid-Europa waren universiteiten vooral gericht op studies medicijnen en rechten, waar in Noord-Europa meer aandacht was voor theologie en kunsten. Als er in het zuiden al theologie werd gegeven was dat bovendien ook nog in kloosters waarin weinig uitwisseling bestond. In het noorden leefde studenten en professoren in campus-vorm met elkaar en bovendien was het gebruikelijk dat een student na zijn studie ergens les ging geven. Hierdoor vond het in het noorden veel uitwisseling plaats van nieuwe ideeën die aan de universiteiten ontstonden en konden deze zich over een groter gebied verspreiden.[10]

De ideeën van Luther zijn ook verspreid op een dergelijke manier vanuit de universiteit van Wittemberg waar hij theologie doceerde. Naast Luther waren andere hervormers zoals Hus, Zwingli en Calvijn ook allemaal professoren. Hieruit kunnen we opmaken dat de Reformatie is voortgekomen uit (of een verlengde is van) de interne kritiek op de kerk van christelijke Humanisten en verspreid kon worden door de situatie op Noordelijke universiteiten zoals deze onder invloed van het Humanisme zijn ontstaan. Er is sprake van zowel continuïteit als discontinuïteit.[11]

Aanleidingen van de Reformatie zoals de politieke verhoudingen tussen kerk en vorsten, de rijkdom van de kerk, interne kritiek op de kerk en eerste hervormingspogingen vonden al plaats in de middeleeuwen.[12] Maar ook de situatie waardoor de Reformatie plaats kon vinden is gedeeltelijk ontstaan door processen die al in de middeleeuwen begonnen zoals de ontwikkeling van het Humanisme en de daaruit voortgekomen universiteiten en intellectuele houding[13], maar ook de ontwikkeling van de boekdrukkunst vond toen plaats waardoor Bijbelvertalingen en propaganda verspreid konden worden[14]. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de wortels van de Reformatie in de middeleeuwen liggen.

Bronnen

[1] Thurman L. Smith, ‘Luther and the Iserloh Thesis from a Numismatic Perspective’, Sixteenth Century Journal 20:2 (1989) 183-201.
[2] John P. McKay e.a., A History of Western Society (12e druk; Boston 2017) 392-295.
[3] Ibidem, 404-415.
[4]Ibidem, 395-398.
[5] Ibidem, 394, 414.
[6] Ibidem, 362-365.
[7] Paul F. Grendler, ‘The Universities of the Renaissance and Reformation’, Renaissance Quarterly 57:1 (2004) 1-42, aldaar 12-13.
[8] McKay e.a., A History of Western Society, 368-369, 397.
[9] Ibidem, 362-365.
[10] Grendler, ’The Universities of the Renaissance and Reformation’, 3-13, 17-21.
[11] Grendler, ’The Universities of the Renaissance and Reformation’, 3-13, 17-21; McKay e.a., A History of Western Society, 392-395.
[12] McKay e.a., A History of Western Society, 358-387.
[13] Grendler, ’The Universities of the Renaissance and Reformation’.
[14] McKay e.a., A History of Western Society, 369-371.