Column: De katholieke identiteit van de Radboud Universiteit

Op 16 januari 2020 heb ik namens Katholieke Studenten Nijmegen een column voorgedragen voor Radboud Reflects met mijn eigen visie op de Katholieke identiteit van de Radboud Universiteit.

Ik studeer nu anderhalf jaar Geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Voor mij was het vanzelfsprekend dat als ik zou gaan studeren, dat in Nijmegen zou zijn. Niet alleen uit een soort Nijmeegs chauvinisme – ik ben immers geboren in het toenmalige Sint Radboud Ziekenhuis, maar ook vanwege de overzichtelijke groene campus en de prettige sfeer. Ook wist ik – als historicus in spé van katholieke huize – dat de Radboud Universiteit ooit de Katholieke Universiteit Nijmegen geweest was: het kroonjuweel op de emancipatie van Katholieken in Nederland. Het verbaasde me enigszins dat mijn medestudenten daar niet van op de hoogte waren, toen ik dat een keer ter sprake bracht. Als we bijvoorbeeld naar het logo van de universiteit kijken zien wij daar namelijk nog steeds de Heilige Geest en een kruis. Ook zijn de beeltenissen van prominente katholieke denkers zoals Thomas van Aquino en Desiderius Erasmus op de campus te vinden. En hoeveel Nederlandse universiteiten kunnen nou zeggen dat een voormalig rector door de Rooms Katholieke Kerk zalig verklaard is en in de nabije toekomst mogelijk heilig verklaard zal worden? Ik heb het natuurlijk over Titus Brandsma.

Voor wie het actief opzoekt zijn er nog meer aanwijzingen te vinden. We hebben bijvoorbeeld het Katholiek Documentatie Centrum, dat de archieven van katholieke personen en instellingen in Nederland bewaard. Geschiedenisstudenten krijgen daar aan het begin van hun opleiding een rondleiding. Ik besloot na die rondleiding om me daar aan te melden als vrijwilliger, waarna een wereld voor mij open ging. Dan pas wordt duidelijk hoe ontzettend veel expertise Nijmegen nog steeds heeft op het gebied van Katholicisme. Ook in mijn opleiding merk je deze expertise in de keuzes die er worden gemaakt. Toekomstige Nijmeegse historici kunnen U als het goed is genoeg vertellen over bijvoorbeeld bijdrage van de katholieke kloostertraditie aan de wetenschap of over de katholieke missie in Indonesië. Het is niet zo dat er een katholiek perspectief op de geschiedenis wordt gegeven, maar – zoals het historici betaamt – een kritische en inhoudelijke invulling met een accent vanuit de eigen expertise.

Het is jammer dat maar weinig studenten zich bewust zijn van de katholieke identiteit van de Radboud Universiteit. Niet alleen omdat het gezond is om een beetje historisch perspectief hebben, maar ook omdat de katholieke identiteit iets is waarmee de Radboud Universiteit zich op een positieve manier kan onderscheiden. Ik vind het jammer dat in de huidige discussie de katholieke identiteit wordt afgeschilderd als iets benauwends. De katholieke identiteit is namelijk juist iets heel dynamisch, dat niet alleen voor katholieke studenten van betekenis hoeft te zijn. Het katholicisme – het religieuze aspect van de katholieke identiteit – is zeker niet onbelangrijk en voor mij als katholiek van grote betekenis. Maar de katholieke identiteit is nog zoveel meer.

Wanneer studenten gevraagd wordt naar de katholieke identiteit zeggen zij daar vaak weinig van te merken. Maar vraag naar wat volgens hen de Radboud Universiteit onderscheid van andere Nederlandse universiteiten en ze komen met tal van positieve punten. De toegankelijke sfeer en het thuisgevoel op de campus. De grote maatschappelijke betrokkenheid. Het menselijke karakter van de universiteit. Het feit dat een filosofie-gerelateerde cursus in iedere opleiding aanwezig is. De emancipatoire functie die de universiteit nog steeds vervult: 70% van onze studenten is namelijk eerste generatie-student. Deze punten kun je allemaal niet los zien van de voorgeschiedenis van onze universiteit en dus ook niet los van de katholieke identiteit.

Zoals onze universiteit een katholieke voorgeschiedenis heeft, zo heeft ook het fenomeen ‘universiteit’ een katholieke voorgeschiedenis, sterker nog: wetenschap heeft een lange katholieke geschiedenis. Onze moderne wetenschappelijke en didactische methodes hebben we voor een groot deel te danken aan de inspanning van katholieke kloosterlingen. Een katholieke universiteit is dus helemaal geen contradictio in terminis. ‘Katholiek’ betekend immers letterlijk ‘universeel’ en wat is er nou universeler dan wetenschap?

Een katholieke universiteit wil niet zeggen dat iedereen die er werkt en studeert katholiek moet zijn. Het gaat niet om in- en uitsluiting, maar om de mogelijkheid te hebben op een vrijblijvende en positieve manier in aanraking te komen met perspectieven die je horizon kunnen verbreden. Een universiteit is namelijk geen plaats waar je komt om een diploma te halen, maar een gemeenschap waar kennis wordt aangereikt en waar je jezelf als mens kan vormen. Ik hoop dat studenten zich bewuster worden van de katholieke identiteit en na hun studie op een positieve manier terugdenken aan hoe het studeren op een katholieke universiteit hen gevormd heeft, ongeacht wat voor religieuze overtuiging zij hebben. Tradities, erfgoed en een eigen identiteit zijn geen blok aan het been maar juist dingen waarmee de universiteit zich op positieve wijze kan onderscheiden van andere universiteiten.

J.R.R. Tolkien about the Catholic Church and Vatican II

John Ronald Reuel Tolkien (1892, Bloemfontein – 1973, Bournemouth) was a British philologist and author, best known for his novels The Hobbit and The Lord of the Rings and his influence on the Fantasy-genre. Tolkien was also a devout Roman Catholic with a strong opinion on the changes in the Church. In this article I have collected interesting fragments from letters written by Tolkien about his views on Catholicism. (The remainder of this website is in the Dutch language.)

Tolkien pictured in Oxford, 1972.

About changes in the Church

(From a letter to Michael Tolkien, dated 25 Aug. 1967)

[…]’Trends’ in the Church are…. serious, especially to those accustomed to find in it a solace and a ‘pax’ in times of temporal trouble, and not just another arena of strife and change.

But imagine the experience of those born (as I) between the Golden and the Diamond Jubilee of Victoria. Both senses or imaginations of security have been progressively stripped away from us. Now we find ourselves nakedly confronting the will of God, as concerns ourselves and our position in Time (Vide Gandalf I 70 and III 155). ‘Back to normal’ – political and Christian predicaments – as a Catholic professor once said to me, when I bemoaned the collapse of all my world that began just after I achieved 21.

I know quite well that, to you as to me, the Church which once felt like a refuge, now often feels like a trap. There is nowhere else to go!

(I wonder if this desperate feeling, the last state of loyalty hanging on, was not, even more often than is actually recorded in the Gospels, felt by Our Lord’s followers in His earthly life-time?) I think there is nothing to do but to pray, for the Church, the Vicar of Christ, and for ourselves; and meanwhile to exercise the virtue of loyalty, which indeed only becomes a virtue when one is under pressure to desert it. There are, of course, various elements in the present situation, which are confused, though in fact distinct (as indeed in the behaviour of modern youth, pan of which is inspired by admirable motives such as antiregimentation, and anti-drabness, a sort of lurking romantic longing for ‘cavaliers’, and is not necessarily allied to the drugs or the cults of fainéance and filth).

About the Roman Catholic Church pictured as a tree

The ‘protestant’ search backwards for ‘simplicity’ and directness – which, of course, though it contains some good or at least intelligible motives, is mistaken and indeed vain. Because ‘primitive Christianity’ is now and in spite of all ‘research’ will ever remain largely unknown; because ‘primitiveness’ is no guarantee of value, and is and was in great part a reflection of ignorance. Grave abuses were as much an element in Christian ‘liturgical’ behaviour from the beginning as now. (St Paul’s strictures on eucharistic behaviour are sufficient to show this!)

Still more because ‘my church’ was not intended by Our Lord to be static or remain in perpetual childhood; but to be a living organism (likened to a plant), which develops and changes in externals by the interaction of its bequeathed divine life and history – the particular circumstances of the world into which it is set.

Caspar David Friedrich (1774–1840), Der einsame Baum (Solitary Tree), 1822, Staatliche Museen zu Berlin.

There is no resemblance between the ‘mustard-seed’ and the full-grown tree. For those living in the days of its branching growth the Tree is the thing, for the history of a living thing is pan of its life, and the history of a divine thing is sacred. The wise may know that it began with a seed, but it is vain to try and dig it up, for it no longer exists, and the virtue and powers that it had now reside in the Tree. Very good: but in husbandry the authorities, the keepers of the Tree, must look after it, according to such wisdom as they possess, prune it, remove cankers, rid it of parasites, and so forth. (With trepidation, knowing how little their knowledge of growth is!) But they will certainly do harm, if they are obsessed with the desire of going back to the seed or even to the first youth of the plant when it was (as they imagine) pretty and unafflicted by evils. The other motive (now so confused with the primitivist one, even in the mind of any one of the reformers): aggiornamento: bringing up to date: that has its own grave dangers, as has been apparent throughout history. With this ‘ecumenicalness’ has also become confused.

About ecumenism and charity

I find myself in sympathy with those developments that are strictly ‘ecumenical’, that is concerned with other groups or churches that call themselves (and often truly are) ‘Christian’. We have prayed endlessly for Christian re-union, but it is difficult to see, if one reflects, how that could possibly begin to come about except as it has, with all its inevitable minor absurdities. An increase in ‘charity’ is an enormous gain. As Christians those faithful to the Vicar of Christ must put aside the resentments that as mere humans they feel – e.g. at the ‘cockiness’ of our new friends (esp. C[hurch] of E[ngland]). One is now often patted on the back, as a representative of a church that has seen the error of its ways, abandoned its arrogance and hauteur, and its separatism; but I have not yet met a ‘protestant’ who shows or expresses any realization of the reasons in this country for our attitude : ancient or modern : from torture and expropriation down to ‘Robinson’ and all that. Has it ever been mentioned that R[oman] C[atholic]s still suffer from disabilities not even applicable to Jews? As a man whose childhood was darkened by persecution, I find this hard. But charity must cover a multitude of sins! There are dangers (of course), but a Church militant cannot afford to shut up all its soldiers in a fortress. It had as bad effects on the Maginot Line.

About his education

I owe a great deal (and perhaps even the Church a little) to being treated, surprisingly for the time, in a more rational way. Fr Francis obtained permission for me to retain my scholarship at K[ing] E[dward’s] S[chool] and continue there, and so I had the advantage of a (then) first rate school and that of a ‘good Catholic home’ – ‘in excelsis’: virtually a junior inmate of the Oratory house, which contained many learned fathers (largely ‘converts’). Observance of religion was strict. Hilaryand I were supposed to, and usually did, serve Mass before getting on our bikes to go to school in New Street. So I grew up in a two-front state, symbolizable by the Oratorian Italian pronunciation of Latin, and the strictly ‘philological’ pronunciation at that time introduced into our Cambridge dominated school. I was even allowed to attend the Headmaster’s classes on the N[ew] T[estament] (in Greek). I certainly took no ‘harm’, and was better equipped ultimately to make my way in a non-Catholic professional society.[…]

About scandals and faith

(From a letter to Michael Tolkien, dated 1 November 1963)

[…]You speak of ‘sagging faith’, however. That is quite another matter:

In the last resort faith is an act of will, inspired by love. Our love may be chilled and our will eroded by the spectacle of the shortcomings, folly, and even sins of the Church and its ministers, but I do not think that one who has once had faith goes back over the line for these reasons (least of all anyone with any historical knowledge).

‘Scandal’ at most is an occasion of temptation – as indecency is to lust, which it does not make but arouses. It is convenient because it tends to turn our eyes away from ourselves and our own faults to find a scape-goat. But the act of will of faith is not a single moment of final decision : it is a permanent indefinitely repeated act > state which must go on – so we pray for ‘final perseverance’. The temptation to ‘unbelief (which really means rejection of Our Lord and His claims) is always there within us. Pan of us longs to find an excuse for it outside us. The stronger the inner temptation the more readily and severely shall we be ‘scandalized’ by others. I think I am as sensitive as you (or any other Christian) to the ‘scandals’, both of clergy and laity. I have suffered grievously in my life from stupid, tired, dimmed, and even bad priests; but I now know enough about myself to be aware that I should not leave the Church (which for me would mean leaving the allegiance of Our Lord) for any such reasons: I should leave because I did not believe, and should not believe any more, even if I had never met any one in orders who was not both wise and saintly. I should deny the Blessed Sacrament, that is: call Our Lord a fraud to His face.

If He is a fraud and the Gospels fraudulent – that is : garbled accounts of a demented megalomaniac (which is the only alternative), then of course the spectacle exhibited by the Church (in the sense of clergy) in history and today is simply evidence of a gigantic fraud. If not, however, then this spectacle is alas! only what was to be expected: it began before the first Easter, and it does not affect faith at all – except that we may and should be deeply grieved. But we should grieve on our Lord’s behalf and for Him, associating ourselves with the scandalizers not with the saints, not crying out that we cannot ‘take’ Judas Iscariot, or even the absurd & cowardly Simon Peter, or the silly women like James’ mother, trying to push her sons.

It takes a fantastic will to unbelief to suppose that Jesus never really ‘happened’

, and more to suppose that he did not say the things recorded of him – so incapable of being ‘invented’ by anyone in the world at that time : such as ‘before Abraham came to be lam‘ (John viii). ‘He that hath seen me hath seen the Father‘ (John ix); or the promulgation of the Blessed Sacrament in John v: ‘He that eateth my flesh and drinketh my blood hath eternal life‘. We must therefore either believe in Him and in what he said and take the consequences; or reject him and take the consequences.

About the importance of Communion

I find it for myself difficult to believe that anyone who has ever been to Communion, even once, with at least right intention, can ever again reject Him without grave blame.

Elevation of the chalice after the consecration during a Solemn Mass.

(However, He alone knows each unique soul and its circumstances.) The only cure for sagging of fainting faith is Communion. Though always Itself, perfect and complete and inviolate, the Blessed Sacrament does not operate completely and once for all in any of us. Like the act of Faith it must be continuous and grow by exercise. Frequency is of the highest effect. Seven times a week is more nourishing than seven times at intervals. Also I can recommend this as an exercise (alas! only too easy to find opportunity for):

make your communion in circumstances that affront your taste.

Choose a snuffling or gabbling priest or a proud and vulgar friar; and a church full of the usual bourgeois crowd, ill-behaved children – from those who yell to those products of Catholic schools who the moment the tabernacle is opened sit back and yawn – open necked and dirty youths, women in trousers and often with hair both unkempt and uncovered. Go to Communion with them (and pray for them). It will be just the same (or better than that) as a mass said beautifully by a visibly holy man, and shared by a few devout and decorous people. (It could not be worse than the mess of the feeding of the Five Thousand – after which [Our] Lord propounded the feeding that was to come.)V

About the Pope, Reformation and Vatican II

I myself am convinced by the Petrine claims, nor looking around the world does there seem much doubt which (if Christianity is true) is the True Church, the temple of the Spirit dying but living, corrupt but holy, self-reforming and rearising.

But for me that Church of which the Pope is the acknowledged head on earth has as chief claim that it is the one that has (and still does) ever defended the Blessed Sacrament, and given it most honour, and put it (as Christ plainly intended) in the prime place. ‘Feed my sheep‘ was His last charge to St Peter; and since His words are always first to be understood literally, I suppose them to refer primarily to the Bread of Life. It was against this that the W. European revolt (or Reformation) was really launched – ‘the blasphemous fable of the Mass’ – and faith/works a mere red herring.

I suppose the greatest reform of our time was that carried out by St Pius X: surpassing anything, however needed, that the [Second Vatican] Council will achieve. I wonder what state the Church would now be but for it.

Conclusion- ‘I failed as a father’

This is rather an alarming and rambling disquisition to write! It is not meant to be a sermon! I have no doubt that you know as much and more. I am an ignorant man, but also a lonely one. And I take the opportunity of a talk, which I am sure I should now never take by word of mouth. But, of course, I live in anxiety concerning my children: who in this harder crueller and more mocking world into which I have survived must suffer more assaults than I have. But I am one who came up out of Egypt, and pray God none of my seed shall return thither. I witnessed (half-comprehending) the heroic sufferings and early death in extreme poverty of my mother who brought me into the Church; and received the astonishing charity of [Fr.] Francis Morgan. But I fell in love with the Blessed Sacrament from the beginning – and by the mercy of God never have fallen out again: but alas! Indeed did not live up to it. I brought you all up ill and talked to you too little. Out of wickedness and sloth I almost ceased to practise my religion – especially at Leeds, and at 22 Northmoor Road. Not for me the Hound of Heaven, but the never-ceasing silent appeal of Tabernacle, and the sense of starving hunger. I regret those days bitterly (and suffer for them with such patience as I can be given); most of all because I failed as a father.

Now I pray for you all, unceasingly, that the Healer (the Hælend as the Saviour was usually called in Old English) shall heal my defects, and that none of you shall ever cease to cry Benedictus qui venit in nomme Domini.

J.R.R. Tolkien

Source

J.R.R. Tolkien, red. Humphrey Carpenter, Christopher Tolkien, The Letters of J.R.R. Tolkien (1981 London).

Het Rijke Roomse Leven op het witte doek

De periode tussen 1860 en 1960 in het Katholieke zuiden van Nederland wordt vaak aangeduid met ‘het Rijke Roomse Leven’. In dit artikel wil ik stilstaan bij representaties van het Katholicisme en het leven in de Nederlandse provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland en België in het algemeen. Ook besteed ik aandacht aan Nederlandse films over het katholicisme van elders.

Daens (1992)

Daens van Stijn Coninx verteld het verhaal van priester Adolf Daens. Aan het eind van de 19e eeuw heerst er grote armoede onder de Vlaamse fabrieksarbeiders van Aalst. Kinderen sterven van de honger en aan ongelukken in de fabriek. Daens zet zich in voor de situatie van de armen. Tot ongenoegen van de Franse fabriekseigenaren en de Katholieke partij, waarop Daens de eerste Christen-democratische partij van België opricht. De Kerk is niet blij met de onderlinge strijd tussen Christen-democraten en de Katholieke partij.

Dit is waarschijnlijk de beste film die hier behandeld wordt. Op meesterlijke wijze vertolkt Jan Decleir de nobele priester Daens, die het tegen wil en dank opneemt voor de Vlaamse fabrieksarbeiders. Helemaal positief over de behoudende kerk is de film niet, maar deze priester is ondubbelzinnig de held van het verhaal. Het tijdsbeeld is bovendien bijzonder indrukwekkend en historisch getrouw.

De Partizanen (1995)
Deze Limburgse  mini-serie van Theu Boermans verteld over het lokale verzet in de omgeving van Venlo. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog komt de bevrijding steeds dichterbij. De verzetsgroep Limburg-Noord uit Baarlo (nabij Venlo) besluit om zoveel mogelijk Duitsers buiten strijd te stellen en gevangen te nemen tot de Amerikanen komen. Maar dan mislukt Arnhem en moeten ze de gevangenen steeds langer vasthouden. Aanvankelijk verzetten de gevangen zich niet, maar dat veranderde allemaal na de komst van de jonge SS’er Beck. 50 jaar later worden de overlevende verzetsleden en één Duitse soldaat door een onderzoeksjournalist ondervraagt…

Op indrukwekkende wijze weet Boermans deze lokale geschiedenis tot leven te wekken. Het Limburgs dialect, de boerderijen, de heiligenbeelden-fabriek en het feit dat de gevangen Duitse soldaten zelfs een speciale mis bij kunnen wonen tonen aan dat dit een film van het Rijke Roomse Leven is.

De Tweeling (2002)
Deze sterke Nederlandse oorlogsfilm van Ben Sombogaart is gebaseerd op het boek van Tessa de Loo. Na de dood van hun ouders groeien de tweelingzusjes Lotte en Anna Bamberg gescheiden op. Anna blijft in Duitsland en moet haar hele leven hard werken voor anderen. Lotte verhuist naar een Nederlandse familie die haar op het eerste gezicht alle kansen biedt. Aanvankelijk missen de zussen elkaar en proberen ze alles om weer bij elkaar te zijn. Omstandigheden en de tijd waarin ze leven zorgen echter voor obstakels die groter zijn dan de band die ze altijd voelen. Anna trouwt met een SS-officier die aan het einde van de oorlog sneuvelt. Lottes verloofde wordt vermoord in Auschwitz. Vijftig jaar na hun laatste, pijnlijke ontmoeting probeert Anna nog één keer in contact te komen met haar tweelingzus.

Het verhaal over het Duitse zusje laat zien hoe het Katholieke leven er in bijvoorbeeld de regio Niederrhein moet hebben uitgezien tijdens de opkomst van het Nationaal-socialisme en de oorlog. Zij woonde namelijk bij ‘domme katholieke boeren’ volgens de pleegouders van haar protestantse Nederlandse zus. Ook deze film geeft een indrukwekkend tijdsbeeld van de verzuiling in oorlogstijd.

De Bende van Oss (2011)
In de jaren dertig maakte de Bende van Oss, ook bekend als De bende van Toon de Soep, Zuid-Nederland onveilig. De bende pleegde een reeks overvallen en ettelijke moorden. De politie had het nakijken en de bendeleden groeiden uit tot volkshelden. Uiteindelijk werd de hulp ingeroepen van een brigade van de marechaussee. De marechaussee kwam echter veel meer op het spoor dan ordinaire misdaad: corruptie door de overheid, verkrachting door een bekende fabrikant en kindermisbruik door pastoors. Via de kreeg de zaak landelijke bekendheid. De gewelddadige botsingen tussen het Osse proletariaat, de katholieken en de protestanten leidden in 1939 tot een conflict tussen Noord en Zuid, tussen katholieken en de rest van Nederland. Voor de katholieke minister van Justitie betekende De zaak Oss het einde van zijn politieke loopbaan.

De film is losjes gebaseerd op het boek van Martin Schouten. Ondanks het feit dat regisseur André van Duren uit het Brabantse Reek komt valt op hoe negatief de benadering van het Brabantse leven is. Iedereen in Oss is een boef en alle katholieken worden als schijnheilig belicht. Uit alle films is dit dan ook verreweg de meest negatieve representatie. Maar goed, ze laten ook zien dat de protestantse Marechaussees NSB’ers waren en de “katholieke boeven” uit Oss in het verzet zaten tijdens de oorlog.

Hemel op Aarde (2013)
1979, Limburg. Bart is een misdienaar die alles zo goed mogelijk wil doen. Dan komen er Belgen uit de grote stad in het dorp komen wonen. Bart’s moeder en Onkel Sjef (die pastoor is) waarschuwen Bart nog dat hij niet met dit soort mensen moet omgaan. Maar het is al te laat, want Bart is bevriend geworden de brutale Peter en tot over zijn oren verlieft op zijn knappe zus Moniek. Naarmate Bart meer omgaat met Moniek gaat het steeds slechter met zijn gezin en hij denkt dat God hem wil straffen. Als Moniek steeds zieker wordt, wordt Bart’s geloof op de proef gesteld.

Deze film van regisseur Pieter Kuijpers heeft muziek van Rowwen Hèze en is heerlijk nostalgisch. De pastoor Onkel Sjef (gespeeld door Huub Stapel) is een bijzonder strenge priester die heel erg hamert op de zonde (opmerkelijk gezien de film zich in de hoogtijdagen van het modernisme afspeelt). De manier waarop Bart goed probeert te doen er worstelt met zijn geloof is bijzonder goed verbeeld.

Hoewel de film negatief is over de alomaanwezigheid van de Kerk in het dagelijks leven en de leer als hypocriet verbeeld (met name Onkel Sjef komt er slecht van af), maakt de nostalgie veel goed. Bijzonder prachtig was ook het einde in het Maria-bedevaartsoord.

Limburgia (2017)

Limburgia is een expirimentele film van Noël Lozen. Willie (60) krijgt zijn jaarlijkse kans om koning van Schutterij Limburgia te worden. Hij zet alles op alles om eindelijk deze belangrijke eretitel te bemachtigen. Maar ondanks Willies onvermoeibare voorbereidingen gaat op de grote dag alles mis. Wanneer zijn vrouw Fien komt te overlijden, slaat Willie definitief door. Als een waar eenmansleger verdedigt hij het schutterslokaal tegen de verbouwingsplannen van de burgemeester terwijl hij verbeten probeert zijn vrouw postuum tot koningin te kronen.

Deze art-film gaat over het vastklampen aan de (zuid-)Limburgse identiteit en de restanten van het verenigingsleven van het Rijke Roomse Leven.

Overige films (moeten nog behandeld worden)
– Dorp aan de Rivier (1958)
– Vaarwel (1973)
– Dagboek van een Herdershond (1978-1980)
– Het Verdriet van België (1995)