Man van Smarten: Verlossing in de wonden van Christus

“Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten, met ziekte vertrouwd, een mens die zijn gezicht voor ons verbergt, geminacht en als niet de moeite waard beschouwd. Waarlijk, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten, die hij heeft gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd. Hij werd doorstoken om onze weerspannigheid, om onze zonden gebroken; hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dank zij zijn striemen is er voor ons genezing.” (Jesaja 53:3-4)

Afbeelding 1: Geertgen tot Sint Jans, Christus als de Man van Smarten (olieverf op houtpaneel, 34,5 x 24 cm, 1475-1499) Museum Catharijneconvent, Utrecht , inv./cat.nr ABM s 63.

Een veelvoorkomend motief in Middeleeuwse gebeden, liederen, volkskunst en altaarstukken is dat van de Man van Smarten dat is afgeleid uit het boek Jesaja. Omdat Christenen de hier genoemde Man van Smarten identificeren met Jezus Christus werd het een belangrijk onderdeel van het gedenken van de Passie en het kruisoffer in deze tijd. Vooral na de Zwarte Dood en de opkomst van de Devotia Moderna in de late veertiende eeuw werd het zeer expliciet afbeelden van het lijden en de wonden van Christus een belangrijk onderdeel van de christelijke spiritualiteit. Een goed voorbeeld van hoe “extreme” verbeeldingen van het lijden van Christus voor religieuze doeleinden werden ingezet in deze tijd is het paneel ‘Christus als Man van Smarten’ dat aan de schilder Geertgen tot Sint Jans wordt toegeschreven (zie Afbeelding 1). Over het algemeen wordt het beschouwd als een van de meest emotioneel geladen verbeeldingen van het motief.[1]

Het motief van de Man van Smarten is bedoeld om de toeschouwer het lijden van Christus te laten overdekenken en schuldig te laten voelen voor hetgeen Hem is overkomen.[2] Naast de vrij expliciete afbeeldingen van de wonden en het met bloedspetters overdekte lichaam worden ook de Arma Christi ofwel passiewerktuigen afgebeeld (zie ook Afbeelding 2). Het vroegste voorbeeld van deze lijdenswerktuigen in afbeeldingen is het Karolingische Utrechts Psalter uit de negende eeuw.[3] De Moeder Gods en Maria Magdalena knielen zich neer bij de tombe waar de gedoornkroonde Christus zijn kruis draagt en worden omringt met engelen die de overige Arma Christi dragen (de nagels uit het kruis, de spons, de speer, de gesel).

Afbeelding 2: De Arma Christi op een traditionele boerderij in Freilichtmuseum Vogtsbauernhof Gutach, Baden-Württemberg (eigen foto).

Een verschil met andere weergaves van dit motief is dat in Geertgen’s vertolking van het motief Christus de toeschouwer recht aankijkt. Alsof de aanblik van een diepbedroefde Moeder Gods met wenende Magdalena en engelen – een onderwerp dat vaker terugkeert in meer emotioneel geladen scènes bij de Vlaamse en Hollandse primitieven en mogelijk geïnspireerd is door Robert Campins en Rogier van der Weydens voorstellingen van beweningen –  nog niet voldoende was, is er ook nog de confrontatie met de trieste blik van de gepijnigde Christus om het beoogde effect van schuldgevoel en de directe associatie met het lijden des te meer te versterken.[4] Door de kijkrichting van de wenende Maria en het lijnenspel op het paneel wordt de blik van de toeschouwer onvermijdelijk gestuurd naar het gezicht van Christus. Dat Christus de toeschouwer aankijkt zien we later bijvoorbeeld ook weer terug in ‘De Zeven werken van Barmhartigheid’ (1504) van de Meester van Alkmaar. Dit breken van de zogenaamde “vierde wand” als het ware sluit eigenlijk heel goed aan bij het streven van de Moderne Devoten op een persoonlijke relatie met Christus aan te gaan.[5] Het sluit echter ook geheel aan bij de opvattingen die de Moderne Devotie over het doel van de kunst had, namelijk dat het vooral een hulpmiddel in het gebed moeten zijn – zogenaamde andachtsbilder – die “door het aanzien doen gedenken”.[6]

Het idee van Christus als Agnus Dei – als offerlam – verpakt in het motief van de Man van Smarten was een belangrijk onderdeel van sterk Christocentrische spiritualiteit van de Moderne Devotie. Geertgen heeft dit perfect weten te verbeelden met zijn sterk emotionele weergave van het lijden van Christus die de kijker moet aanzetten om te gedenken “devoetelic ende ingekiert alsof onse lieve Here voer oer hadde gegaen, dragende sijn cruce”.[7] De kijker overdenkt de Passie en voelt zich persoonlijk schuldig over het lijden dat Christus heeft geleden voor de zonden der gehele mensheid. De kijker neemt vervolgens – de Christelijke duiding van de kruisiging eendachtig – een houding aan van grote dankbaarheid en sterkt zich door het eigen lijden aan Christus toe te vertrouwen zoals wordt bezongen in het veertiende-eeuwse gebed Anima Christi. Het resultaat van deze meditatie is een versterkte beleving van de persoonlijke band met Christus en daarmee een sterke aanzet tot een levenshouding van gebed. Daarmee is dit paneel van Geertgen tot Sint Jans een ware triomf voor de Moderne Devoten.

Anima Christi, sanctifica me.
Corpus Christi, salva me.
Sanguis Christi, inebria me.
Aqua lateris Christi, lava me.
Passio Christi, conforta me.
O bone Jesu, exaudi me.
Intra tua vulnera absconde me.

Ziel van Christus, heilig mij.
Lichaam van Christus, red mij.
Bloed van Christus, verblijd mij.
Water uit de zijde van Christus, was mij.
Lijden van Christus, sterk mij.
O goede Jezus, verhoor mij.
In uw wonden, verberg mij.[8]

[1]Bernhard Ridderbos; Anne van Buren en Henk van Veen, Early Netherlandish Paintings. Rediscovery, Reception and Research (Amsterdam 2005) 148-150.

[2]John Decker, ‘Engendering Contrition, Wounding the Soul: Geertgen Tot Sint Jans’ ‘Man of Sorrows’’, Artibus et Historiae, 29:57 (2008) 69.

[3]Gertrud Schiller, Iconography of Christian Art II (London 1972) 184-185.

[4] Decker, ‘Engendering Contrition, Wounding the Soul’, 63.

[5] Zie bijvoorbeeld: Thomas á Kempis, De Imitatione Christi (ca. 1418-1427).

[6] M.L. Caron, ‘Ansien doet gedencken: de religieuze voorstellingswereld van de moderne devotie”, Geert Grote en de Moderne Devotie (Utrecht 1984) 25–42.

[7] In de woorden van Johannes Kessel, kok van het Heer Florenshuis te Deventer. Zie: Caron, ‘Ansien doet gedencken”, 298.

[8] Compendium van de catechismus van de Katholieke Kerk (Rome 2005) 613; Samuel Hanna, ‘Anima Christi’ in: Charles Herbermann (red.), Catholic Encyclopedia (New York 1907) 1.

Onze Lieve Vrouwe en neogotiek in Kevelaer: Authenticiteits-erlebnis in de geest van “de Middeleeuwen”

Mariaverschijningen spelen een grote rol in de volksdevotie van het Rooms-Katholicisme. Dat gebeurde van oudsher al, maar kreeg een geheel nieuwe impuls na het afkondigen van diverse Mariale dogma’s in de negentiende eeuw.[i] In Nederland waren sinds de Middeleeuwen al bedevaartsplaatsen voor Maria, maar omdat tijdens de dagen van de Republiek het katholicisme moeilijk gepraktiseerd kon worden in Nederland kreeg het bedevaartsoort net over de grens in Kevelaer een bijzondere plaats in de herinneringscultuur van Nederlandse katholieken.[ii] Volgens de overlevering zou rond Kerstmis 1641 een marskramer genaamd Hendrik Busman bij een Hagelkruis op de heide van Kevelaer een verschijning hebben gehad van Maria met de opdracht daar een kapel te bouwen. Zo geschiede en sindsdien worden er vele wonderbaarlijke genezingen toegekend aan de plaats. Om de toestroom aan pelgrims te huisvesten ontstonden er meerdere kapellen in de omgeving. In de negentiende eeuw was er zo’n toestroom aan (met name) Nederlandse pelgrims dat bouwmeester Hilger Hertel de Oude tussen 1858 en 1864 de grote Mariabasiliek (of Marienkirche) heeft gebouwd naar ontwerp van architect Vincenz Statz. Statz was een zeer belangrijke architect in de Rijnlandse neogotiek en liet zich voor de basiliek inspireren door voorbeelden uit zowel Nederland als Frankrijk. Meest treffend van allemaal is wellicht de invloed van de beroemde dertiende-eeuwse Sainte-Chapelle in Parijs op het binnenwerk van de basiliek waaruit de kleuren van het interieur zijn ontleend.[iii]

Een veelvoorkomend motief is de sterrenhemel op het plafond van een gotische kerk. Bedoeld om de kerk een kosmisch karakter te geven. Het opdragen van het Heilig Misoffer wordt op deze wijze weer in de schepping geplaatst onder de sterrenhemel.[iv] Tegelijkertijd was in de negentiende eeuw niet het doel de illusie van een sterrenhemel te wekken, maar eerder om een gestileerde “Middeleeuwse” weergave te geven als onderdeel van de bekende Maria symboliek. De combinatie van gestileerde sterrenhemel met het vele goud geven de pelgrims – die waarschijnlijk enige tijd gereisd hebben om er te komen – een beleving van authenticiteit zoals de Romanistische architect idealiseerde. Alsof zij vanuit de moderne wereld zo de Middeleeuwen van Sint Lodewijk binnenstappen. Het interieur wekt een soort van  ‘historische sensatie’ op bij de toeschouwer door een beroep te doel op de “Middeleeuwse” aspecten.[v]

Echter is dit geen sensatie van een daadwerkelijk geleefde middeleeuwen maar van een katholieke hyper-middeleeuwen, een afspiegeling van de universele geloofsopvattingen van de Katholieke Kerk door een stijl van de tijd waarop zij in de samenleving de grootste culturele invloed had.[vi] De pelgrim komt zo na een lange reis naar deze plek met de anticipatie van een spirituele ervaring (omdat het een Mariaheiligdom is) ‘thuis’ in de ideale wereld van de katholieke visie. Het duidelijk aanwezige goud versterkt dit effect omdat goud in de iconografie dient om de ‘hogere werkelijkheid’ te verbeelden.[vii] De combinatie van de verwachting en de connotaties van het interieur roepen dus een authenticiteitservaring op die de spirituele ervaring van de plaats versterkt. Zo zijn de zintuigen een hulpmiddel geworden voor de geest.

[i] Zie bijvoorbeeld: Pius IX, Ineffabilis Deus (1854).

[ii] Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige staat van Alle Volkeren (1738), deel X, blz. 192-194.

[iii] Zie: Astrid Grittern, Die Marienbasilika zu Kevelaer (Köln 1999).

[iv] Zie: Robert Barron, Heaven in Stone and Glass: Experiencing the Spirituality of the Great Cathedrals (Los Angeles 2002).

[v] Herman Paul, Als het verleden trekt (Amsterdam 2014), 48-58; F.R. Ankersmit, De historische ervaring (1993), 15-25.

[vi] Peter Raedts, De Ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011), 227-276.

[vii] Zie: Robert Barron, Heaven in Stone and Glass: Experiencing the Spirituality of the Great Cathedrals (Los Angeles 2002).

Corona en de Kerk – Sacramenten in tijden van crisis

Verschenen als ‘Corona en de Kerk. Sacramenten in tijden van crisis’ Impressie, Tijdschrift voor Katholiek Erfgoed Nr. 26 (Nijmegen 2020).

Naar aanleiding van de COVID-19-epidemie heeft de Nederlandse Bisschoppenconferentie begin maart alle publieke liturgische vieringen afgelast. De gevolgen zijn ingrijpend voor katholieken, die nu zondags de Heilige Mis niet kunnen bijwonen en met Pasen de Heilige Communie niet hebben kunnen ontvangen. Vandaag de dag is het echter wel mogelijk de Mis te volgen via de televisie-uitzending van de KRO-NCRV of de livestream van een lokale parochie. Daarbij wordt naast moderne technieken echter ook een beroep gedaan op een oude geloofspraktijk. De huidige situatie roept de vraag op hoe men in het verleden met zo’n crisis is omgegaan.

Zondag in tijden van crisis

Het is lang geleden dat katholieken in Nederland geen Mis konden bijwonen op zondag. Toen in 1918 Nederland werd getroffen door de Spaanse griep werden de kerken niet gesloten. Mgr. Laurentius Schrijnen (1861-1932), bisschop van Roermond, riep de gelovigen juist op naar de Mis te komen en veel te bidden. In Tilburg verzocht de pastoor ‘grieplijders’ niet naar de kerk te komen. Ook werden middeleeuwse gebeden ter afwering van de pest ingezet en werd de devotie tot pestheiligen nieuw leven in geblazen. Ook tijdens de Zwarte Dood (1347-1351) werd het uitreiken van de communie niet stopgezet. In tegendeel, priesters zetten zich met gevaar voor eigen leven in om de zieken van de communie en de laatste sacramenten te blijven voorzien. Het gevolg was dat bijna de helft van de priesters in deze tijd overleed en er meer aandacht kwam voor volksdevotie.

Het lijkt er dus op dat er tot nu toe alleen tussen 1588 en 1795, toen het in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bij wet verboden was om het katholicisme publiekelijk te belijden, op grote schaal geen publieke Missen waren in Nederland. Soms was het toch mogelijk de Mis bij te wonen in een schuilkerk of te vluchten naar een gebied dat niet tot de Republiek behoorde zoals bijvoorbeeld het Land van Ravenstein. In de zogeheten Hollandse Missie werkten in deze periode tussen de 200 en 450 priesters die op risico van verbanning in het geheim katholieken de sacramenten toedienden. Omdat het grootste deel van de gelovigen op zondag geen Mis kon bijwonen schreef schoolmeester Heyman Jacobs het boek De Sondaghs-Schole waaruit men iedere zondag gebeden en een begeleidende tekst bij het Evangelie kon lezen.

De geestelijke communie

Nu katholieken als gevolg van de corona-pandemie niet fysiek ter communie kunnen gaan wijzen de Nederlandse bisschoppen in hun nieuwsbrief van 13 maart 2020 op de mogelijkheid tot geestelijke communie: ‘door het verlangen om Christus te ontvangen, schenkt Hij ons ook door deze ‘geestelijke communie’ zijn genade’. Gedoopte katholieken kunnen door middel van gebed met een oprecht verlangen naar de Heilige Eucharistie de geestelijke communie ontvangen. De bisschoppen baseren zich hierbij op verschillende katholieke godgeleerden uit voorgaande eeuwen. In zijn Summa Theologica bespreekt Sint Thomas van Aquino (1225-1274) de achtergrond van de geestelijke communie, waarbij hij zich onder andere baseert op de kerkvader Sint Augustinus van Hippo (354-430). Men kan zowel sacramenteel – door het eten van de geconsacreerde hostie – als geestelijk – door verlangen naar de communie – de communie ontvangen. In de gebedskaart die de Nederlandse bisschoppen afgelopen maart hebben verspreid gebruiken zij de definitie die de dominicaan Johannes Tauler (1300-1361) hanteert in een van zijn preken: ”de zuiveren van hart, die vurig wensen dat hun het heilig Sacrament mocht worden gegeven, ook als dit niet mogelijk is, ontvangen de genade van het Sacrament naar de maat van hun verlangen en gesteltenis”.

In de Late Middeleeuwen werd de geestelijke communie populair omdat men ervoor vreesde de sacramentele communie te ontvangen terwijl men in een onwaardige staat verkeerde. Voor beide vormen van communie moet men in staat van genade (vrij van doodzonde) zijn, maar bij de sacramentele communie liep men ook het risico ‘zich een oordeel te eten’ door deze onwaardig te ontvangen. De Kerk stelde de gelovigen daarom verplicht om minstens eenmaal per jaar de sacramentele communie te ontvangen. Sint Thomas van Aquino stelde dat de sacramentele communie toch een zekere meerwaarde had ten opzichte van de geestelijke communie omdat men bij enkel een geestelijke communie niet de volledige vruchten van de communie ontvangt. Anderen zoals Geert Grote (1340-1384) van de Moderne Devotie en Wessel Gansfort (1419-1489) zagen vrijwel geheel af van de sacramentele communie ten gunste van de geestelijke communie.

Ook de mysticus Thomas a Kempis (1380-1471) schreef erover in zijn beroemde De Imitatione Christi. Hij vormt volgens kerkhistoricus Charles Caspers een brug tussen de middeleeuwse waardering voor de geestelijke communie en de post-tridentijnse prominentie van het sacrament van de Eucharistie. Thomas a Kempis pleit ervoor om de geestelijke communie te ontvangen wanneer men niet waardig is sacramenteel te ontvangen. In het Concilie van Trente (1545-1563) werd bevestigd dat de communie zowel sacramenteel als geestelijk ontvangen kan worden. Zondaars die ter communie gaan ontvangen enkel sacramenteel. Zij die niet ter communie gaan en een oprecht verlangen naar de Eucharistie hebben ontvangen enkel geestelijk. Tot slot ontvangen zij die in staat van genade zijn en ter communie gaan zowel sacramenteel als geestelijk.

In de periode na het Concilie van Trente zou de geestelijke communie degraderen tot een devote geloofsoefening. In 1947 verklaarde paus Pius XII echter in zijn encycliek Mediator Dei et hominum dat gelovigen die niet in staat waren de communie sacramenteel te ontvangen, zich tot de geestelijke communie moeten wenden. Volgens priester Michel Hagen is ook deze vorm van geestelijke communie halverwege de vorige eeuw in de vergetelheid geraakt. Dit kwam onder andere door het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965), waarin relatief meer aandacht kwam voor het Woord ten opzichte van de Communie die eerder bij Trente zo prominent was geweest. In Nederlandse volksmissaaltjes komt het gebed voor de geestelijke communie ook vóór het concilie al weinig voor, waarschijnlijk omdat de ziekencommunie gebracht werd naar hen die de Mis niet bij konden wonen.

De coronacrisis heeft ervoor gezorgd dat katholieken voor het eerst in een zeer lange tijd beperkte toegang hebben tot de sacramenten. Ook paus Franciscus staat stil bij de huidige situatie in zijn Paasboodschap: “Deze ziekte heeft ons niet alleen de menselijke nabijheid ontnomen, maar ook de mogelijkheid om de vertroosting die voortvloeit uit de sacramenten, met name de eucharistie en de verzoening, persoonlijk te ontvangen. In veel landen is het niet mogelijk geweest daartoe te naderen, maar de Heer heeft ons niet alleen gelaten!’”. De huidige situatie met social distancing heeft noodgedwongen aanleiding gegeven tot herwaardering van de geestelijke communie. Na te zijn gedegradeerd tot uiting van devotie en daarna zelfs vrijwel te zijn vergeten is de geestelijke communie nu noodgedwongen hersteld tot de positie die zij eerder in de Middeleeuwen had.

Column: De katholieke identiteit van de Radboud Universiteit

Op 16 januari 2020 heb ik namens Katholieke Studenten Nijmegen een column voorgedragen voor Radboud Reflects met mijn eigen visie op de Katholieke identiteit van de Radboud Universiteit.

Ik studeer nu anderhalf jaar Geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Voor mij was het vanzelfsprekend dat als ik zou gaan studeren, dat in Nijmegen zou zijn. Niet alleen uit een soort Nijmeegs chauvinisme – ik ben immers geboren in het toenmalige Sint Radboud Ziekenhuis, maar ook vanwege de overzichtelijke groene campus en de prettige sfeer. Ook wist ik – als historicus in spé van katholieke huize – dat de Radboud Universiteit ooit de Katholieke Universiteit Nijmegen geweest was: het kroonjuweel op de emancipatie van Katholieken in Nederland. Het verbaasde me enigszins dat mijn medestudenten daar niet van op de hoogte waren, toen ik dat een keer ter sprake bracht. Als we bijvoorbeeld naar het logo van de universiteit kijken zien wij daar namelijk nog steeds de Heilige Geest en een kruis. Ook zijn de beeltenissen van prominente katholieke denkers zoals Thomas van Aquino en Desiderius Erasmus op de campus te vinden. En hoeveel Nederlandse universiteiten kunnen nou zeggen dat een voormalig rector door de Rooms Katholieke Kerk zalig verklaard is en in de nabije toekomst mogelijk heilig verklaard zal worden? Ik heb het natuurlijk over Titus Brandsma.

Voor wie het actief opzoekt zijn er nog meer aanwijzingen te vinden. We hebben bijvoorbeeld het Katholiek Documentatie Centrum, dat de archieven van katholieke personen en instellingen in Nederland bewaard. Geschiedenisstudenten krijgen daar aan het begin van hun opleiding een rondleiding. Ik besloot na die rondleiding om me daar aan te melden als vrijwilliger, waarna een wereld voor mij open ging. Dan pas wordt duidelijk hoe ontzettend veel expertise Nijmegen nog steeds heeft op het gebied van Katholicisme. Ook in mijn opleiding merk je deze expertise in de keuzes die er worden gemaakt. Toekomstige Nijmeegse historici kunnen U als het goed is genoeg vertellen over bijvoorbeeld bijdrage van de katholieke kloostertraditie aan de wetenschap of over de katholieke missie in Indonesië. Het is niet zo dat er een katholiek perspectief op de geschiedenis wordt gegeven, maar – zoals het historici betaamt – een kritische en inhoudelijke invulling met een accent vanuit de eigen expertise.

Het is jammer dat maar weinig studenten zich bewust zijn van de katholieke identiteit van de Radboud Universiteit. Niet alleen omdat het gezond is om een beetje historisch perspectief hebben, maar ook omdat de katholieke identiteit iets is waarmee de Radboud Universiteit zich op een positieve manier kan onderscheiden. Ik vind het jammer dat in de huidige discussie de katholieke identiteit wordt afgeschilderd als iets benauwends. De katholieke identiteit is namelijk juist iets heel dynamisch, dat niet alleen voor katholieke studenten van betekenis hoeft te zijn. Het katholicisme – het religieuze aspect van de katholieke identiteit – is zeker niet onbelangrijk en voor mij als katholiek van grote betekenis. Maar de katholieke identiteit is nog zoveel meer.

Wanneer studenten gevraagd wordt naar de katholieke identiteit zeggen zij daar vaak weinig van te merken. Maar vraag naar wat volgens hen de Radboud Universiteit onderscheid van andere Nederlandse universiteiten en ze komen met tal van positieve punten. De toegankelijke sfeer en het thuisgevoel op de campus. De grote maatschappelijke betrokkenheid. Het menselijke karakter van de universiteit. Het feit dat een filosofie-gerelateerde cursus in iedere opleiding aanwezig is. De emancipatoire functie die de universiteit nog steeds vervult: 70% van onze studenten is namelijk eerste generatie-student. Deze punten kun je allemaal niet los zien van de voorgeschiedenis van onze universiteit en dus ook niet los van de katholieke identiteit.

Zoals onze universiteit een katholieke voorgeschiedenis heeft, zo heeft ook het fenomeen ‘universiteit’ een katholieke voorgeschiedenis, sterker nog: wetenschap heeft een lange katholieke geschiedenis. Onze moderne wetenschappelijke en didactische methodes hebben we voor een groot deel te danken aan de inspanning van katholieke kloosterlingen. Een katholieke universiteit is dus helemaal geen contradictio in terminis. ‘Katholiek’ betekend immers letterlijk ‘universeel’ en wat is er nou universeler dan wetenschap?

Een katholieke universiteit wil niet zeggen dat iedereen die er werkt en studeert katholiek moet zijn. Het gaat niet om in- en uitsluiting, maar om de mogelijkheid te hebben op een vrijblijvende en positieve manier in aanraking te komen met perspectieven die je horizon kunnen verbreden. Een universiteit is namelijk geen plaats waar je komt om een diploma te halen, maar een gemeenschap waar kennis wordt aangereikt en waar je jezelf als mens kan vormen. Ik hoop dat studenten zich bewuster worden van de katholieke identiteit en na hun studie op een positieve manier terugdenken aan hoe het studeren op een katholieke universiteit hen gevormd heeft, ongeacht wat voor religieuze overtuiging zij hebben. Tradities, erfgoed en een eigen identiteit zijn geen blok aan het been maar juist dingen waarmee de universiteit zich op positieve wijze kan onderscheiden van andere universiteiten.

J.R.R. Tolkien about the Catholic Church and Vatican II

John Ronald Reuel Tolkien (1892, Bloemfontein – 1973, Bournemouth) was a British philologist and author, best known for his novels The Hobbit and The Lord of the Rings and his influence on the Fantasy-genre. Tolkien was also a devout Roman Catholic with a strong opinion on the changes in the Church. In this article I have collected interesting fragments from letters written by Tolkien about his views on Catholicism. (The remainder of this website is in the Dutch language.)

Tolkien pictured in Oxford, 1972.

About changes in the Church

(From a letter to Michael Tolkien, dated 25 Aug. 1967)

[…]’Trends’ in the Church are…. serious, especially to those accustomed to find in it a solace and a ‘pax’ in times of temporal trouble, and not just another arena of strife and change.

But imagine the experience of those born (as I) between the Golden and the Diamond Jubilee of Victoria. Both senses or imaginations of security have been progressively stripped away from us. Now we find ourselves nakedly confronting the will of God, as concerns ourselves and our position in Time (Vide Gandalf I 70 and III 155). ‘Back to normal’ – political and Christian predicaments – as a Catholic professor once said to me, when I bemoaned the collapse of all my world that began just after I achieved 21.

I know quite well that, to you as to me, the Church which once felt like a refuge, now often feels like a trap. There is nowhere else to go!

(I wonder if this desperate feeling, the last state of loyalty hanging on, was not, even more often than is actually recorded in the Gospels, felt by Our Lord’s followers in His earthly life-time?) I think there is nothing to do but to pray, for the Church, the Vicar of Christ, and for ourselves; and meanwhile to exercise the virtue of loyalty, which indeed only becomes a virtue when one is under pressure to desert it. There are, of course, various elements in the present situation, which are confused, though in fact distinct (as indeed in the behaviour of modern youth, pan of which is inspired by admirable motives such as antiregimentation, and anti-drabness, a sort of lurking romantic longing for ‘cavaliers’, and is not necessarily allied to the drugs or the cults of fainéance and filth).

About the Roman Catholic Church pictured as a tree

The ‘protestant’ search backwards for ‘simplicity’ and directness – which, of course, though it contains some good or at least intelligible motives, is mistaken and indeed vain. Because ‘primitive Christianity’ is now and in spite of all ‘research’ will ever remain largely unknown; because ‘primitiveness’ is no guarantee of value, and is and was in great part a reflection of ignorance. Grave abuses were as much an element in Christian ‘liturgical’ behaviour from the beginning as now. (St Paul’s strictures on eucharistic behaviour are sufficient to show this!)

Still more because ‘my church’ was not intended by Our Lord to be static or remain in perpetual childhood; but to be a living organism (likened to a plant), which develops and changes in externals by the interaction of its bequeathed divine life and history – the particular circumstances of the world into which it is set.

Caspar David Friedrich (1774–1840), Der einsame Baum (Solitary Tree), 1822, Staatliche Museen zu Berlin.

There is no resemblance between the ‘mustard-seed’ and the full-grown tree. For those living in the days of its branching growth the Tree is the thing, for the history of a living thing is pan of its life, and the history of a divine thing is sacred. The wise may know that it began with a seed, but it is vain to try and dig it up, for it no longer exists, and the virtue and powers that it had now reside in the Tree. Very good: but in husbandry the authorities, the keepers of the Tree, must look after it, according to such wisdom as they possess, prune it, remove cankers, rid it of parasites, and so forth. (With trepidation, knowing how little their knowledge of growth is!) But they will certainly do harm, if they are obsessed with the desire of going back to the seed or even to the first youth of the plant when it was (as they imagine) pretty and unafflicted by evils. The other motive (now so confused with the primitivist one, even in the mind of any one of the reformers): aggiornamento: bringing up to date: that has its own grave dangers, as has been apparent throughout history. With this ‘ecumenicalness’ has also become confused.

About ecumenism and charity

I find myself in sympathy with those developments that are strictly ‘ecumenical’, that is concerned with other groups or churches that call themselves (and often truly are) ‘Christian’. We have prayed endlessly for Christian re-union, but it is difficult to see, if one reflects, how that could possibly begin to come about except as it has, with all its inevitable minor absurdities. An increase in ‘charity’ is an enormous gain. As Christians those faithful to the Vicar of Christ must put aside the resentments that as mere humans they feel – e.g. at the ‘cockiness’ of our new friends (esp. C[hurch] of E[ngland]). One is now often patted on the back, as a representative of a church that has seen the error of its ways, abandoned its arrogance and hauteur, and its separatism; but I have not yet met a ‘protestant’ who shows or expresses any realization of the reasons in this country for our attitude : ancient or modern : from torture and expropriation down to ‘Robinson’ and all that. Has it ever been mentioned that R[oman] C[atholic]s still suffer from disabilities not even applicable to Jews? As a man whose childhood was darkened by persecution, I find this hard. But charity must cover a multitude of sins! There are dangers (of course), but a Church militant cannot afford to shut up all its soldiers in a fortress. It had as bad effects on the Maginot Line.

About his education

I owe a great deal (and perhaps even the Church a little) to being treated, surprisingly for the time, in a more rational way. Fr Francis obtained permission for me to retain my scholarship at K[ing] E[dward’s] S[chool] and continue there, and so I had the advantage of a (then) first rate school and that of a ‘good Catholic home’ – ‘in excelsis’: virtually a junior inmate of the Oratory house, which contained many learned fathers (largely ‘converts’). Observance of religion was strict. Hilaryand I were supposed to, and usually did, serve Mass before getting on our bikes to go to school in New Street. So I grew up in a two-front state, symbolizable by the Oratorian Italian pronunciation of Latin, and the strictly ‘philological’ pronunciation at that time introduced into our Cambridge dominated school. I was even allowed to attend the Headmaster’s classes on the N[ew] T[estament] (in Greek). I certainly took no ‘harm’, and was better equipped ultimately to make my way in a non-Catholic professional society.[…]

About scandals and faith

(From a letter to Michael Tolkien, dated 1 November 1963)

[…]You speak of ‘sagging faith’, however. That is quite another matter:

In the last resort faith is an act of will, inspired by love. Our love may be chilled and our will eroded by the spectacle of the shortcomings, folly, and even sins of the Church and its ministers, but I do not think that one who has once had faith goes back over the line for these reasons (least of all anyone with any historical knowledge).

‘Scandal’ at most is an occasion of temptation – as indecency is to lust, which it does not make but arouses. It is convenient because it tends to turn our eyes away from ourselves and our own faults to find a scape-goat. But the act of will of faith is not a single moment of final decision : it is a permanent indefinitely repeated act > state which must go on – so we pray for ‘final perseverance’. The temptation to ‘unbelief (which really means rejection of Our Lord and His claims) is always there within us. Pan of us longs to find an excuse for it outside us. The stronger the inner temptation the more readily and severely shall we be ‘scandalized’ by others. I think I am as sensitive as you (or any other Christian) to the ‘scandals’, both of clergy and laity. I have suffered grievously in my life from stupid, tired, dimmed, and even bad priests; but I now know enough about myself to be aware that I should not leave the Church (which for me would mean leaving the allegiance of Our Lord) for any such reasons: I should leave because I did not believe, and should not believe any more, even if I had never met any one in orders who was not both wise and saintly. I should deny the Blessed Sacrament, that is: call Our Lord a fraud to His face.

If He is a fraud and the Gospels fraudulent – that is : garbled accounts of a demented megalomaniac (which is the only alternative), then of course the spectacle exhibited by the Church (in the sense of clergy) in history and today is simply evidence of a gigantic fraud. If not, however, then this spectacle is alas! only what was to be expected: it began before the first Easter, and it does not affect faith at all – except that we may and should be deeply grieved. But we should grieve on our Lord’s behalf and for Him, associating ourselves with the scandalizers not with the saints, not crying out that we cannot ‘take’ Judas Iscariot, or even the absurd & cowardly Simon Peter, or the silly women like James’ mother, trying to push her sons.

It takes a fantastic will to unbelief to suppose that Jesus never really ‘happened’

, and more to suppose that he did not say the things recorded of him – so incapable of being ‘invented’ by anyone in the world at that time : such as ‘before Abraham came to be lam‘ (John viii). ‘He that hath seen me hath seen the Father‘ (John ix); or the promulgation of the Blessed Sacrament in John v: ‘He that eateth my flesh and drinketh my blood hath eternal life‘. We must therefore either believe in Him and in what he said and take the consequences; or reject him and take the consequences.

About the importance of Communion

I find it for myself difficult to believe that anyone who has ever been to Communion, even once, with at least right intention, can ever again reject Him without grave blame.

Elevation of the chalice after the consecration during a Solemn Mass.

(However, He alone knows each unique soul and its circumstances.) The only cure for sagging of fainting faith is Communion. Though always Itself, perfect and complete and inviolate, the Blessed Sacrament does not operate completely and once for all in any of us. Like the act of Faith it must be continuous and grow by exercise. Frequency is of the highest effect. Seven times a week is more nourishing than seven times at intervals. Also I can recommend this as an exercise (alas! only too easy to find opportunity for):

make your communion in circumstances that affront your taste.

Choose a snuffling or gabbling priest or a proud and vulgar friar; and a church full of the usual bourgeois crowd, ill-behaved children – from those who yell to those products of Catholic schools who the moment the tabernacle is opened sit back and yawn – open necked and dirty youths, women in trousers and often with hair both unkempt and uncovered. Go to Communion with them (and pray for them). It will be just the same (or better than that) as a mass said beautifully by a visibly holy man, and shared by a few devout and decorous people. (It could not be worse than the mess of the feeding of the Five Thousand – after which [Our] Lord propounded the feeding that was to come.)V

About the Pope, Reformation and Vatican II

I myself am convinced by the Petrine claims, nor looking around the world does there seem much doubt which (if Christianity is true) is the True Church, the temple of the Spirit dying but living, corrupt but holy, self-reforming and rearising.

But for me that Church of which the Pope is the acknowledged head on earth has as chief claim that it is the one that has (and still does) ever defended the Blessed Sacrament, and given it most honour, and put it (as Christ plainly intended) in the prime place. ‘Feed my sheep‘ was His last charge to St Peter; and since His words are always first to be understood literally, I suppose them to refer primarily to the Bread of Life. It was against this that the W. European revolt (or Reformation) was really launched – ‘the blasphemous fable of the Mass’ – and faith/works a mere red herring.

I suppose the greatest reform of our time was that carried out by St Pius X: surpassing anything, however needed, that the [Second Vatican] Council will achieve. I wonder what state the Church would now be but for it.

Conclusion- ‘I failed as a father’

This is rather an alarming and rambling disquisition to write! It is not meant to be a sermon! I have no doubt that you know as much and more. I am an ignorant man, but also a lonely one. And I take the opportunity of a talk, which I am sure I should now never take by word of mouth. But, of course, I live in anxiety concerning my children: who in this harder crueller and more mocking world into which I have survived must suffer more assaults than I have. But I am one who came up out of Egypt, and pray God none of my seed shall return thither. I witnessed (half-comprehending) the heroic sufferings and early death in extreme poverty of my mother who brought me into the Church; and received the astonishing charity of [Fr.] Francis Morgan. But I fell in love with the Blessed Sacrament from the beginning – and by the mercy of God never have fallen out again: but alas! Indeed did not live up to it. I brought you all up ill and talked to you too little. Out of wickedness and sloth I almost ceased to practise my religion – especially at Leeds, and at 22 Northmoor Road. Not for me the Hound of Heaven, but the never-ceasing silent appeal of Tabernacle, and the sense of starving hunger. I regret those days bitterly (and suffer for them with such patience as I can be given); most of all because I failed as a father.

Now I pray for you all, unceasingly, that the Healer (the Hælend as the Saviour was usually called in Old English) shall heal my defects, and that none of you shall ever cease to cry Benedictus qui venit in nomme Domini.

J.R.R. Tolkien

Source

J.R.R. Tolkien, red. Humphrey Carpenter, Christopher Tolkien, The Letters of J.R.R. Tolkien (1981 London).