Column: De katholieke identiteit van de Radboud Universiteit

Op 16 januari 2020 heb ik namens Katholieke Studenten Nijmegen een column voorgedragen voor Radboud Reflects met mijn eigen visie op de Katholieke identiteit van de Radboud Universiteit.

Ik studeer nu anderhalf jaar Geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Voor mij was het vanzelfsprekend dat als ik zou gaan studeren, dat in Nijmegen zou zijn. Niet alleen uit een soort Nijmeegs chauvinisme – ik ben immers geboren in het toenmalige Sint Radboud Ziekenhuis, maar ook vanwege de overzichtelijke groene campus en de prettige sfeer. Ook wist ik – als historicus in spé van katholieke huize – dat de Radboud Universiteit ooit de Katholieke Universiteit Nijmegen geweest was: het kroonjuweel op de emancipatie van Katholieken in Nederland. Het verbaasde me enigszins dat mijn medestudenten daar niet van op de hoogte waren, toen ik dat een keer ter sprake bracht. Als we bijvoorbeeld naar het logo van de universiteit kijken zien wij daar namelijk nog steeds de Heilige Geest en een kruis. Ook zijn de beeltenissen van prominente katholieke denkers zoals Thomas van Aquino en Desiderius Erasmus op de campus te vinden. En hoeveel Nederlandse universiteiten kunnen nou zeggen dat een voormalig rector door de Rooms Katholieke Kerk zalig verklaard is en in de nabije toekomst mogelijk heilig verklaard zal worden? Ik heb het natuurlijk over Titus Brandsma.

Voor wie het actief opzoekt zijn er nog meer aanwijzingen te vinden. We hebben bijvoorbeeld het Katholiek Documentatie Centrum, dat de archieven van katholieke personen en instellingen in Nederland bewaard. Geschiedenisstudenten krijgen daar aan het begin van hun opleiding een rondleiding. Ik besloot na die rondleiding om me daar aan te melden als vrijwilliger, waarna een wereld voor mij open ging. Dan pas wordt duidelijk hoe ontzettend veel expertise Nijmegen nog steeds heeft op het gebied van Katholicisme. Ook in mijn opleiding merk je deze expertise in de keuzes die er worden gemaakt. Toekomstige Nijmeegse historici kunnen U als het goed is genoeg vertellen over bijvoorbeeld bijdrage van de katholieke kloostertraditie aan de wetenschap of over de katholieke missie in Indonesië. Het is niet zo dat er een katholiek perspectief op de geschiedenis wordt gegeven, maar – zoals het historici betaamt – een kritische en inhoudelijke invulling met een accent vanuit de eigen expertise.

Het is jammer dat maar weinig studenten zich bewust zijn van de katholieke identiteit van de Radboud Universiteit. Niet alleen omdat het gezond is om een beetje historisch perspectief hebben, maar ook omdat de katholieke identiteit iets is waarmee de Radboud Universiteit zich op een positieve manier kan onderscheiden. Ik vind het jammer dat in de huidige discussie de katholieke identiteit wordt afgeschilderd als iets benauwends. De katholieke identiteit is namelijk juist iets heel dynamisch, dat niet alleen voor katholieke studenten van betekenis hoeft te zijn. Het katholicisme – het religieuze aspect van de katholieke identiteit – is zeker niet onbelangrijk en voor mij als katholiek van grote betekenis. Maar de katholieke identiteit is nog zoveel meer.

Wanneer studenten gevraagd wordt naar de katholieke identiteit zeggen zij daar vaak weinig van te merken. Maar vraag naar wat volgens hen de Radboud Universiteit onderscheid van andere Nederlandse universiteiten en ze komen met tal van positieve punten. De toegankelijke sfeer en het thuisgevoel op de campus. De grote maatschappelijke betrokkenheid. Het menselijke karakter van de universiteit. Het feit dat een filosofie-gerelateerde cursus in iedere opleiding aanwezig is. De emancipatoire functie die de universiteit nog steeds vervult: 70% van onze studenten is namelijk eerste generatie-student. Deze punten kun je allemaal niet los zien van de voorgeschiedenis van onze universiteit en dus ook niet los van de katholieke identiteit.

Zoals onze universiteit een katholieke voorgeschiedenis heeft, zo heeft ook het fenomeen ‘universiteit’ een katholieke voorgeschiedenis, sterker nog: wetenschap heeft een lange katholieke geschiedenis. Onze moderne wetenschappelijke en didactische methodes hebben we voor een groot deel te danken aan de inspanning van katholieke kloosterlingen. Een katholieke universiteit is dus helemaal geen contradictio in terminis. ‘Katholiek’ betekend immers letterlijk ‘universeel’ en wat is er nou universeler dan wetenschap?

Een katholieke universiteit wil niet zeggen dat iedereen die er werkt en studeert katholiek moet zijn. Het gaat niet om in- en uitsluiting, maar om de mogelijkheid te hebben op een vrijblijvende en positieve manier in aanraking te komen met perspectieven die je horizon kunnen verbreden. Een universiteit is namelijk geen plaats waar je komt om een diploma te halen, maar een gemeenschap waar kennis wordt aangereikt en waar je jezelf als mens kan vormen. Ik hoop dat studenten zich bewuster worden van de katholieke identiteit en na hun studie op een positieve manier terugdenken aan hoe het studeren op een katholieke universiteit hen gevormd heeft, ongeacht wat voor religieuze overtuiging zij hebben. Tradities, erfgoed en een eigen identiteit zijn geen blok aan het been maar juist dingen waarmee de universiteit zich op positieve wijze kan onderscheiden van andere universiteiten.

Betoog: Over moraliteit, nationalisme en de Gouden Eeuw-controverse

 

Graag zou ik in een korte uiteenzetting willen reageren op het artikel van Iñaki Oñorbe Genovesi in de Volkskrant, waarin historicus Geerten Waling reflecteert op de huidige tendensen in de geschiedwetenschap.

Laat ik allereerst beginnen met de kern van het artikel. Ik kan me zeker in de opvatting van de heer Waling vinden dat de geschiedschrijving op dit moment een te activistisch karakter heeft. Geschiedenis met een doel (of nuttige geschiedenis) is per definitie onwetenschappelijk. Als historicus pretendeer je immers vanuit een objectief standpunt onderzoek te doen. In de praktijk is volledige objectiviteit natuurlijk slechts een ideaal, maar zodra het niet meer het streven is gaat het naar mijn mening helemaal fout. Wanneer je – om maar een voorbeeld te noemen – zou willen onderzoeken ‘waarom de witte man altijd al anderen heeft onderdrukt’, heb je voordat je bent begonnen eigenlijk al allerlei conclusies getrokken die niet per se recht doen aan de historische werkelijkheid. Geschiedenis is altijd nuttig als het inzicht oplevert over de historische werkelijkheid, ieder ander doel staat dat in de weg. Er ontstaat namelijk een inconsistentie tussen hoe de verleden werkelijkheid was en wat wij schrijven over het verleden.

Ik zou echter ook enige nuancering aan willen brengen bij het betoog. Met de rode stift door de geschiedenisboeken gaan is namelijk wel degelijk een van de taken van de historicus (al doen we dat welteverstaan niet letterlijk, in tegendeel zelfs: we schrijven *nieuwe* boeken). Het is echter van belang dat de motieven daarvoor juist zijn. Het doel moet zijn om recht te doen aan de complexe historische werkelijkheid, niet de morele zuiverheid van het verleden bij te scherpen. Zo zou ik bijvoorbeeld willen voorstellen om te stoppen met spreken over de “donkere” Middeleeuwen waarin iedereen in de modder zat te wroeten. In plaats daarvan zouden de schoolboeken eens stil mogen staan bij bijvoorbeeld de erfenis van het kloosterleven (zonder welk onze moderne wetenschapsbeoefening niet mogelijk was geweest). Ook mag men van mij rustig de boekjes waarin gesproken wordt over de grenzeloze tolerantie en het poldermodel van de Nederlandse Republiek rustig bij het oud vuil zetten aangezien Katholieken, Joden en bepaalde Protestanten systematisch werden onderdrukt in deze Calvinistische aristocratie en de Tachtigjarige Oorlog onderdeel was van een beweging van religieuze oorlogen (burgeroorlog of vrijheidsstrijd, het is allemaal een kwestie van perspectief).

Wat betreft het Gouden Eeuw-debat, dat is mijns inziens van beide kanten pure symboolpolitiek. Dergelijke aanduidingen zijn voorwetenschappelijk en het hangt volledig af van welk perspectief je hanteert of het waardeoordeel van toepassing is. Vanuit een economisch en cultureel standpunt heeft Holland wel degelijk een Gouden Eeuw gekend. Ik ben persoonlijk noch trots, noch vol schaamte over “onze” Gouden eeuw. In de eerste plaats omdat het mijn Gouden Eeuw niet is… Mijn voorouders zaten in namelijk het Land van Ravenstein, een van de vele onafhankelijke gebieden die nooit onderdeel zijn geweest van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden… In de tweede plaats omdat ik niet mee wens te doen aan deze nieuwe erfzonde-leer waarin schuld en slachtofferschap worden gezien als iets dat erfelijk is. Wanneer we een Amerikaans discours – zonder gegronde reden – gaan toepassen op de Nederlandse situatie en allerlei symbolen (standbeelden, straatnamen, de Gouden Eeuw) uit het dagelijks leven verwijderen, waar zijn we dan mee bezig? Ook als je alles waar die symbolen voor staan moreel verwerpelijk vind, dan moet er toch juist iets zijn dat eraan blijft herinneren?

Jan Pieterszoon Coen door Ferdinand Leenhoff Hoorn.

Ik ben het helemaal met de heer Waling eens dat al die ideologische geladenheid ver van historisch onderzoek moet blijven. Dat betekend niet dat er geen ‘emancipatoire geschiedenis’ plaats kan vinden. Men moet dit mijns inziens echter niet doen door zich enkel en alleen op vrouwenonderdrukking of uitbuiting van ‘koloniale onderdanen’ te richten in isolement, maar door een geschiedenis te schrijven waar je dergelijke zaken simpelweg niet negeert en een bredere context plaatst. (Even terzijde: Ik vind (post-)koloniale geschiedenis wel degelijk een interessant en relevant onderwerp van studie. Het voegt immers iets toe.)

Waling lijkt echter naar mijn mening de nadelen van een nationale identificatie met het verleden wat te onderschatten. Het is eigenlijk onzin om te spreken van nationale geschiedenis aangezien de natie een negentiende-eeuwse uitvinding is. Bovendien is legitimatie van het vaderland net zo ideologisch geladen als al die morele lessen die men uit het verleden wil trekken. Identificatie met het verleden is prima, zolang men oppast de werkelijkheid niet in te ruilen voor een fantasie. Er was strikt genomen geen geschiedenis van Nederland voor 1815 (want er was geen Koninkrijk der Nederlanden). Om dit aan te tonen hoeft men enkel te kijken naar de grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische geschiedenis (terwijl dit toch echt voor een heel groot deel hetzelfde verhaal geweest zou moeten zijn zou men toch denken). Nog steeds schetst onze canon een buitengewoon Hollandocentrisch beeld. Wel Rembrandt, geen Breugel of Jhieronymus Bosch. Wel Floris V en Michiel de Ruyter, geen Filips de Goede, Jan van Brabant of veldheer Maarten van Rossum…

Maar goed, we kunnen niet tot in den treuren revisionistisch blijven en in school curricula moeten we niet de nuance door de strot van de scholier proberen te duwen. Laten we ons vooral bezig houden met een pure interesse in het verleden. Reconstructie, observatie en de zoektocht naar een historische sensatie. Niet met arbitraire debatten over morele zaken en nationale trots die weinig met wetenschap te maken hebben. Laten we het vooral een beetje nuchter houden.

Tot zover mijn college.

Aanbevolen literatuur voor ieder die hier dieper op in wenst te gaan:
-Herman Paul, Als het verleden trekt: kernthema’s in de geschiedsfilosofie (2014 Den Haag).