Bisschop Aegidius van Reims – Neustrische intrigant aan het hof van Childebert II van Austrasië

Naast hun religieuze rol vervulden bisschoppen in de zesde eeuw ook een belangrijke politieke rol in de complexe hofpolitiek en diplomatie van de Merovingische dynastie.[1] Enkele van hen wisten zich met succes een weg te banen door deze politieke verhoudingen, zoals Gregorius van Tours, auteur van de Historia Francorum. Aegidius, bisschop van Reims tijdens de heerschappij van koning Childebert II (r. 575-596) van Austrasië, was minder succesvol. Gregorius en Aegidius hebben tegenovergestelde politieke allianties en dat heeft invloed op de rol die Aegidius in Gregorius’ narratief speelt.[2] Ik zal op basis van de Historia het netwerk rondom Aegidius reconstrueren.

Wanneer Aegidus voor het eerst besproken wordt, is al duidelijk dat de bisschop onderdeel uitmaakt van een grotere groep aan het Austrasische hof die toenadering tot Neustrië zoekt. In 577 wordt Merovech, de opstandige zoon van Chilperik van Neustrië, in de omgeving van Reims in de val gelokt, waarna hij zelfmoord pleegt. Gregorius noemt Aegidius en dux Guntram Boso als mogelijke verantwoordelijken voor het opsporen en doden van het gezelschap van Merovech. Aegidius zou een gunsteling zijn van koningin Fredegunde, de vrouw van Chilperik.[3] Ondanks dat Reims onderdeel was van Austrasië maakte de nabijheid van Soissons persoonlijke banden met het hof van Neustrië mogelijk.[4] Soissons was daarnaast een suffragaan bisdom van het aartsbisdom Reims.[5] Als hoogste geestelijke in het gebied was frequent contact met Fredegunde niet onwaarschijnlijk, bovendien deed Chilperik donaties aan lokale kerken en heiligdommen.[6]

Aegidius zou zijn belangrijkste rol spelen in het opstellen van het Verdrag van Nogent tussen Childebert II van Austrasië en Chilperik van Neustrië in 581. Nu Childebert II minderjarig op de troon zit is het in zijn belang een alliantie te sluiten met een van zijn ooms. In dit verdrag kiest Childebert II ervoor om samen met Chilperik tegen koning Guntram van Bourgondië ten strijde te trekken.[7] Feitelijk betekende dit ook steun aan de pretendent Gundovald, die Guntram’s plaats moest innemen.[8] Later in 583 zou Aegidius dit verdrag nog eens bekrachtigen nadat Guntram Marseille had ingenomen. Toen Chilperik begon met zijn veldtocht tegen Guntram ontstond volgens Gregorius een opstand tegen de diplomatiek van Aegidius en de andere adviseurs van de koning. Aegidius moest vluchten naar zijn zetel in Reims.[9]

Toen Chilperik in 584 overleed moest Childebert II zijn strategie herzien en toenadering zoeken tot Guntram. Opnieuw was het Aegidius, die samen met Guntram Boso en Sigivald[10] op een diplomatieke missie werd gestuurd. Dit keer was dat echter minder succesvol. Guntram beledigt Aegidius hierbij door hem te beschuldigen van leugens en gedrag dat niet past bij een bisschop maar bij een vijand van zijn rijk. Guntram geeft niet toe aan de eisen terwijl Childebert II steeds meer van hem afhankelijk wordt.[11] Een jaar later verblijft Childebert II in Bourgondië wanneer Guntram samenzweerders uit het Austrasische hof berecht die Gundovald hadden gesteund. Op dit moment benoemt Guntram Childebert II tot zijn opvolger en geeft hij hem de raad Aegidius niet te vertrouwen, hoewel hij hem niet vervolgt.[12]

In 587 vindt er in Austrasië een paleiscoup plaats onder leiding van Ursio, Rauching en Bertefred die samenspanden met Clotharius II van Neustrië, opvolger van Chilperik. De coup werd echter neergeslagen door Guntram. Ook Aegidius werd beschuldigd van hoogverraad. Daarom verscheen hij bij Childebert II om zijn onschuld te bewijzen met giften, waarop hij niet vervolgd werd. Ook sloot hij vrede met dux Lupus van Campagne, tot woede van Guntram.[13]  Drie jaar later worden huurmoordenaars gestuurd door Fredegunde in een poging om Childebert II te vermoorden.[14] Sunnegisil, stalmeester van Childebert II, wordt overhoord onder marteling waarbij hij zegt dat Aegidius een rol gespeeld heeft in de coup van 587.[15] Hierop werd Aegidius naar Metz gebracht en terechtgesteld door zijn mede-bisschoppen met dux Ennodius (een oude vijand van Chilperik[16]) als aanklager. Tijdens het proces gaf Aegidius toe een vriend van Chilperik geweest te zijn, maar zonder dat dit invloed had op zijn loyaliteit aan Childebert II.[17]

In het proces werd een briefwisseling tussen Aegidius en Chilperik getoond waarin hij Brunhilde beledigt en Chilperik hem in zeer cryptische taal opdracht zou hebben gegeven tot de moord op Brunhilde en Childebert II. Aegidius ontkende deze geschreven te hebben, maar nadat zijn assistent andere geschriften van de bisschop liet zien was iedereen overtuigd van de echtheid van de brieven. Vervolgens geeft Childebert II aan nooit akkoord te zijn gegaan met de overeenkomsten die Aegidius met Chilperik had gemaakt. Epiphanius, Abt van Sint-Remigius in Reims, getuigt ook tegen Aegidius. Dat hij dat doet zou met lokale conflicten tussen het klooster en het bisdom te maken kunnen hebben. Uiteindelijk bekent Aegidius zijn schuld tegenover de andere bisschoppen, specifiek het smeden van plannen tegen Childebert II én zijn moeder Brunhilde. Dankzij de bisschoppen wordt hij niet gedood maar uit zijn ambt gezet en naar Straatsburg verbannen.  Romulf, de zoon van Lupus, wordt de nieuwe bisschop van Reims en abt Epiphanus wordt tevens uit zijn ambt gezet.[19]

Opmerkelijk is dat Gregorius niet duidelijk maakt of hij zelf aanwezig is geweest bij dit proces. Gregorius kende Aegidius goed aangezien Aegidus hem tot bisschop van Tours gewijd heeft, maar hij verdedigt hem niet, wat hij wel deed voor Praetexatatus van Rouen toen deze door Chilperik werd berecht. Erin Dailey vermoedt dat de brieven op basis waarvan Aegidius veroordeeld is vervalsingen betreffen.[20] Volgens hem is de daadwerkelijke reden van de beschuldigingen de connecties die Aegidius met het Neustrische hof had. Gregorius zwijgt omdat hij bang is om zelf ook vervolgd te worden aangezien hij Aegidius bij zijn diplomatieke missies heeft geassisteerd en zelf ook betrokken is geweest bij het Neustrische hof toen Chilperik over Tours heerste.[21] Volgens Ian Wood moet de veroordeling van Aegidius vooral gezien worden als een herschrijving van de geschiedenis. Childebert II had wisselende allianties met Guntram en Chilperik. Omdat Aegidius zo’n duidelijke rol gespeeld had in de banden met Chilperik moest hij het veld ruimen, ook al was Childebert II zich er volledig van bewust toen de alliantie met Chilperik gemaakt werd.[22]

Zowel in het kamp van Brunhilde en Guntram als in dat van Chilperik en Gundovald speelden de bisschoppen van Austrasië een grote rol. Aegidius was de belangrijkste speler in de alliantie tussen Austrasië en Neustrië. Hij was bevriend met Chilperik en Fredegunde en betrokken bij de pogingen Gundovald aan de macht te helpen. Toen Chilperik overleed betekende dit dat Childebert II zich tot Guntram moest wenden en dat betekende het einde voor Aegidius’ diplomatieke én episcopale carrière. Guntram zag Aegidius als een bedreiging en Aegidius was bovendien betrokken bij pogingen Neustrische invloed te doen gelden na de alliantie met Bourgondië. Uiteindelijk had de bisschop van Reims het verkeerde netwerk op het verkeerde moment.

 

Bibliografie

Primaire bronnen

Gregorius van Tours, Libri Historiarum X, ed. B. Krusch and W. Levison, MGH SS rer. Merov. I/I (Hannover, 1951); vert. L. Thorpe, Gregory of Tours: The History of the Franks (Harmondsworth, 1974).

Secundaire literatuur

Dailey, E., Queens, Consorts, Concubines. Gregory of Tours and Women of the Merovingian Elite (Leiden, 2015).

Halfond, G., ‘Sis Quoque Catholicis Religionis Apex: The Ecclesiastical Patronage of Chilperic I and  Fredegund’, Church History 81:1 (2012), 48–76.

Harvard University, ‘Map Bishoprics ca. 600’, The Digital Atlas of Roman and Medieval Civilizations, https://darmc.harvard.edu/ (geraadpleegd 23-3-2020).

Wood, I., ‘The secret histories of Gregory of Tours’, Revue belge de philologie et d’histoire 71:2 (1993) 253-270.

Voetnoten

[1] Gregory Halfond, ‘Sis Quoque Catholicis Religionis Apex: The Ecclesiastical Patronage of Chilperic I and

Fredegund’, Church History 81:1 (2012), 48–76 aldaar 49.

[2] Erin Dailey, Queens, Consorts, Concubines Gregory of Tours and Women of the Merovingian Elite (Leiden,

2015), 150-152.

[3] Gregorius van Tours, Libri Historiarum X, ed. B. Krusch and W. Levison, MGH SS rer. Merov. I/I (Hannover, 1951); vert. L. Thorpe, Gregory of Tours: The History of the Franks (Harmondsworth, 1974) V.18.

[4] Halfond, ‘Sis Quoque Catholicis Religionis Apex’, 58.

[5] Harvard University, ‘Map Bishoprics ca. 600’, The Digital Atlas of Roman and Medieval Civilizations, https://darmc.harvard.edu/ (geraadpleegd 23-3-2020). Suffragaan wil zeggen dat het bisdom onder het overkoepelende aartsbisdom stond zoals Bisdom s’-Hertogenbosch onder Aartsbidsom Utrecht valt.

[6] Halfond, ‘Sis Quoque Catholicis Religionis Apex’.

[7] Greg., Hist., VI.3.

[8] Ian Wood, ‘The secret histories of Gregory of Tours’, Revue belge de philologie et d’histoire 71:2 (1993)

253-270, aldaar 267–269; Onder andere Faustianus van Dax, Bertram of Bordeaux, Orestes van Bazas, Palladius van Saintes en Ursicinus van Cahors steunden dit plan, zie: Halfond, ‘Sis Quoque Catholicis Religionis Apex’, 62.

[9] Greg., Hist., VI.31. Een opstand in Childebert’s legerkamp. De opstandelingen zouden de bisschop vermoord hebben indien hij zich niet snel uit de voeten had gemaakt.

[10] Beiden zijn dux onder Childebert II. Over Sigivald is verder niets bekend.

[11] Greg., Hist., VII.14.

[12] Greg., Hist., VII.33. Deze raad gaaf hij nadat hij net samenzwerende adel had berecht die ook tot het pro-Neustrische kamp behoorden.

[13] Greg., Hist., IX.14.

[14] Greg., Hist., X.18.

[15] Sunnegisil  was betrokken in een plot van Gallomagnus, Septimina en Droctulf tegen Brunhilde en Faileuba (vrouw van Childebert) in 589, zie: Greg., Hist., IX.38.

[16] Greg., Hist., V.24.

[17] Greg., Hist., X.19.

[18] Bibliothèque Nationale de France, Grandes Chroniques de France (ca. 1380), https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b84472995.r (geraadpleegd 23-3-2020).

[19] Greg., Hist., X.19. Waarom Epiphanus uit zijn ambt wordt gezet is onduidelijk, waarschijnlijk omdat hij ook betrokken is geweest aan het Neustrische hof tijdens de overheersing van Chilperik.

[20] Dailey, Queens, 150-152. Een methode die wel vaker toegepast is bij het beschuldigen van bisschoppen, maar zij meestal met succes wisten af te wenden (zoals Gregorius zelf).

[21] Dailey, Queens, 150-152; Halfond, ‘Sis Quoque Catholicis Religionis Apex’, 69.

[22] Wood, ‘Secret histories’, 267–268.

Column: De katholieke identiteit van de Radboud Universiteit

Op 16 januari 2020 heb ik namens Katholieke Studenten Nijmegen een column voorgedragen voor Radboud Reflects met mijn eigen visie op de Katholieke identiteit van de Radboud Universiteit.

Ik studeer nu anderhalf jaar Geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Voor mij was het vanzelfsprekend dat als ik zou gaan studeren, dat in Nijmegen zou zijn. Niet alleen uit een soort Nijmeegs chauvinisme – ik ben immers geboren in het toenmalige Sint Radboud Ziekenhuis, maar ook vanwege de overzichtelijke groene campus en de prettige sfeer. Ook wist ik – als historicus in spé van katholieke huize – dat de Radboud Universiteit ooit de Katholieke Universiteit Nijmegen geweest was: het kroonjuweel op de emancipatie van Katholieken in Nederland. Het verbaasde me enigszins dat mijn medestudenten daar niet van op de hoogte waren, toen ik dat een keer ter sprake bracht. Als we bijvoorbeeld naar het logo van de universiteit kijken zien wij daar namelijk nog steeds de Heilige Geest en een kruis. Ook zijn de beeltenissen van prominente katholieke denkers zoals Thomas van Aquino en Desiderius Erasmus op de campus te vinden. En hoeveel Nederlandse universiteiten kunnen nou zeggen dat een voormalig rector door de Rooms Katholieke Kerk zalig verklaard is en in de nabije toekomst mogelijk heilig verklaard zal worden? Ik heb het natuurlijk over Titus Brandsma.

Voor wie het actief opzoekt zijn er nog meer aanwijzingen te vinden. We hebben bijvoorbeeld het Katholiek Documentatie Centrum, dat de archieven van katholieke personen en instellingen in Nederland bewaard. Geschiedenisstudenten krijgen daar aan het begin van hun opleiding een rondleiding. Ik besloot na die rondleiding om me daar aan te melden als vrijwilliger, waarna een wereld voor mij open ging. Dan pas wordt duidelijk hoe ontzettend veel expertise Nijmegen nog steeds heeft op het gebied van Katholicisme. Ook in mijn opleiding merk je deze expertise in de keuzes die er worden gemaakt. Toekomstige Nijmeegse historici kunnen U als het goed is genoeg vertellen over bijvoorbeeld bijdrage van de katholieke kloostertraditie aan de wetenschap of over de katholieke missie in Indonesië. Het is niet zo dat er een katholiek perspectief op de geschiedenis wordt gegeven, maar – zoals het historici betaamt – een kritische en inhoudelijke invulling met een accent vanuit de eigen expertise.

Het is jammer dat maar weinig studenten zich bewust zijn van de katholieke identiteit van de Radboud Universiteit. Niet alleen omdat het gezond is om een beetje historisch perspectief hebben, maar ook omdat de katholieke identiteit iets is waarmee de Radboud Universiteit zich op een positieve manier kan onderscheiden. Ik vind het jammer dat in de huidige discussie de katholieke identiteit wordt afgeschilderd als iets benauwends. De katholieke identiteit is namelijk juist iets heel dynamisch, dat niet alleen voor katholieke studenten van betekenis hoeft te zijn. Het katholicisme – het religieuze aspect van de katholieke identiteit – is zeker niet onbelangrijk en voor mij als katholiek van grote betekenis. Maar de katholieke identiteit is nog zoveel meer.

Wanneer studenten gevraagd wordt naar de katholieke identiteit zeggen zij daar vaak weinig van te merken. Maar vraag naar wat volgens hen de Radboud Universiteit onderscheid van andere Nederlandse universiteiten en ze komen met tal van positieve punten. De toegankelijke sfeer en het thuisgevoel op de campus. De grote maatschappelijke betrokkenheid. Het menselijke karakter van de universiteit. Het feit dat een filosofie-gerelateerde cursus in iedere opleiding aanwezig is. De emancipatoire functie die de universiteit nog steeds vervult: 70% van onze studenten is namelijk eerste generatie-student. Deze punten kun je allemaal niet los zien van de voorgeschiedenis van onze universiteit en dus ook niet los van de katholieke identiteit.

Zoals onze universiteit een katholieke voorgeschiedenis heeft, zo heeft ook het fenomeen ‘universiteit’ een katholieke voorgeschiedenis, sterker nog: wetenschap heeft een lange katholieke geschiedenis. Onze moderne wetenschappelijke en didactische methodes hebben we voor een groot deel te danken aan de inspanning van katholieke kloosterlingen. Een katholieke universiteit is dus helemaal geen contradictio in terminis. ‘Katholiek’ betekend immers letterlijk ‘universeel’ en wat is er nou universeler dan wetenschap?

Een katholieke universiteit wil niet zeggen dat iedereen die er werkt en studeert katholiek moet zijn. Het gaat niet om in- en uitsluiting, maar om de mogelijkheid te hebben op een vrijblijvende en positieve manier in aanraking te komen met perspectieven die je horizon kunnen verbreden. Een universiteit is namelijk geen plaats waar je komt om een diploma te halen, maar een gemeenschap waar kennis wordt aangereikt en waar je jezelf als mens kan vormen. Ik hoop dat studenten zich bewuster worden van de katholieke identiteit en na hun studie op een positieve manier terugdenken aan hoe het studeren op een katholieke universiteit hen gevormd heeft, ongeacht wat voor religieuze overtuiging zij hebben. Tradities, erfgoed en een eigen identiteit zijn geen blok aan het been maar juist dingen waarmee de universiteit zich op positieve wijze kan onderscheiden van andere universiteiten.

J.R.R. Tolkien about the Catholic Church and Vatican II

John Ronald Reuel Tolkien (1892, Bloemfontein – 1973, Bournemouth) was a British philologist and author, best known for his novels The Hobbit and The Lord of the Rings and his influence on the Fantasy-genre. Tolkien was also a devout Roman Catholic with a strong opinion on the changes in the Church. In this article I have collected interesting fragments from letters written by Tolkien about his views on Catholicism. (The remainder of this website is in the Dutch language.)

Tolkien pictured in Oxford, 1972.

About changes in the Church

(From a letter to Michael Tolkien, dated 25 Aug. 1967)

[…]’Trends’ in the Church are…. serious, especially to those accustomed to find in it a solace and a ‘pax’ in times of temporal trouble, and not just another arena of strife and change.

But imagine the experience of those born (as I) between the Golden and the Diamond Jubilee of Victoria. Both senses or imaginations of security have been progressively stripped away from us. Now we find ourselves nakedly confronting the will of God, as concerns ourselves and our position in Time (Vide Gandalf I 70 and III 155). ‘Back to normal’ – political and Christian predicaments – as a Catholic professor once said to me, when I bemoaned the collapse of all my world that began just after I achieved 21.

I know quite well that, to you as to me, the Church which once felt like a refuge, now often feels like a trap. There is nowhere else to go!

(I wonder if this desperate feeling, the last state of loyalty hanging on, was not, even more often than is actually recorded in the Gospels, felt by Our Lord’s followers in His earthly life-time?) I think there is nothing to do but to pray, for the Church, the Vicar of Christ, and for ourselves; and meanwhile to exercise the virtue of loyalty, which indeed only becomes a virtue when one is under pressure to desert it. There are, of course, various elements in the present situation, which are confused, though in fact distinct (as indeed in the behaviour of modern youth, pan of which is inspired by admirable motives such as antiregimentation, and anti-drabness, a sort of lurking romantic longing for ‘cavaliers’, and is not necessarily allied to the drugs or the cults of fainéance and filth).

About the Roman Catholic Church pictured as a tree

The ‘protestant’ search backwards for ‘simplicity’ and directness – which, of course, though it contains some good or at least intelligible motives, is mistaken and indeed vain. Because ‘primitive Christianity’ is now and in spite of all ‘research’ will ever remain largely unknown; because ‘primitiveness’ is no guarantee of value, and is and was in great part a reflection of ignorance. Grave abuses were as much an element in Christian ‘liturgical’ behaviour from the beginning as now. (St Paul’s strictures on eucharistic behaviour are sufficient to show this!)

Still more because ‘my church’ was not intended by Our Lord to be static or remain in perpetual childhood; but to be a living organism (likened to a plant), which develops and changes in externals by the interaction of its bequeathed divine life and history – the particular circumstances of the world into which it is set.

Caspar David Friedrich (1774–1840), Der einsame Baum (Solitary Tree), 1822, Staatliche Museen zu Berlin.

There is no resemblance between the ‘mustard-seed’ and the full-grown tree. For those living in the days of its branching growth the Tree is the thing, for the history of a living thing is pan of its life, and the history of a divine thing is sacred. The wise may know that it began with a seed, but it is vain to try and dig it up, for it no longer exists, and the virtue and powers that it had now reside in the Tree. Very good: but in husbandry the authorities, the keepers of the Tree, must look after it, according to such wisdom as they possess, prune it, remove cankers, rid it of parasites, and so forth. (With trepidation, knowing how little their knowledge of growth is!) But they will certainly do harm, if they are obsessed with the desire of going back to the seed or even to the first youth of the plant when it was (as they imagine) pretty and unafflicted by evils. The other motive (now so confused with the primitivist one, even in the mind of any one of the reformers): aggiornamento: bringing up to date: that has its own grave dangers, as has been apparent throughout history. With this ‘ecumenicalness’ has also become confused.

About ecumenism and charity

I find myself in sympathy with those developments that are strictly ‘ecumenical’, that is concerned with other groups or churches that call themselves (and often truly are) ‘Christian’. We have prayed endlessly for Christian re-union, but it is difficult to see, if one reflects, how that could possibly begin to come about except as it has, with all its inevitable minor absurdities. An increase in ‘charity’ is an enormous gain. As Christians those faithful to the Vicar of Christ must put aside the resentments that as mere humans they feel – e.g. at the ‘cockiness’ of our new friends (esp. C[hurch] of E[ngland]). One is now often patted on the back, as a representative of a church that has seen the error of its ways, abandoned its arrogance and hauteur, and its separatism; but I have not yet met a ‘protestant’ who shows or expresses any realization of the reasons in this country for our attitude : ancient or modern : from torture and expropriation down to ‘Robinson’ and all that. Has it ever been mentioned that R[oman] C[atholic]s still suffer from disabilities not even applicable to Jews? As a man whose childhood was darkened by persecution, I find this hard. But charity must cover a multitude of sins! There are dangers (of course), but a Church militant cannot afford to shut up all its soldiers in a fortress. It had as bad effects on the Maginot Line.

About his education

I owe a great deal (and perhaps even the Church a little) to being treated, surprisingly for the time, in a more rational way. Fr Francis obtained permission for me to retain my scholarship at K[ing] E[dward’s] S[chool] and continue there, and so I had the advantage of a (then) first rate school and that of a ‘good Catholic home’ – ‘in excelsis’: virtually a junior inmate of the Oratory house, which contained many learned fathers (largely ‘converts’). Observance of religion was strict. Hilaryand I were supposed to, and usually did, serve Mass before getting on our bikes to go to school in New Street. So I grew up in a two-front state, symbolizable by the Oratorian Italian pronunciation of Latin, and the strictly ‘philological’ pronunciation at that time introduced into our Cambridge dominated school. I was even allowed to attend the Headmaster’s classes on the N[ew] T[estament] (in Greek). I certainly took no ‘harm’, and was better equipped ultimately to make my way in a non-Catholic professional society.[…]

About scandals and faith

(From a letter to Michael Tolkien, dated 1 November 1963)

[…]You speak of ‘sagging faith’, however. That is quite another matter:

In the last resort faith is an act of will, inspired by love. Our love may be chilled and our will eroded by the spectacle of the shortcomings, folly, and even sins of the Church and its ministers, but I do not think that one who has once had faith goes back over the line for these reasons (least of all anyone with any historical knowledge).

‘Scandal’ at most is an occasion of temptation – as indecency is to lust, which it does not make but arouses. It is convenient because it tends to turn our eyes away from ourselves and our own faults to find a scape-goat. But the act of will of faith is not a single moment of final decision : it is a permanent indefinitely repeated act > state which must go on – so we pray for ‘final perseverance’. The temptation to ‘unbelief (which really means rejection of Our Lord and His claims) is always there within us. Pan of us longs to find an excuse for it outside us. The stronger the inner temptation the more readily and severely shall we be ‘scandalized’ by others. I think I am as sensitive as you (or any other Christian) to the ‘scandals’, both of clergy and laity. I have suffered grievously in my life from stupid, tired, dimmed, and even bad priests; but I now know enough about myself to be aware that I should not leave the Church (which for me would mean leaving the allegiance of Our Lord) for any such reasons: I should leave because I did not believe, and should not believe any more, even if I had never met any one in orders who was not both wise and saintly. I should deny the Blessed Sacrament, that is: call Our Lord a fraud to His face.

If He is a fraud and the Gospels fraudulent – that is : garbled accounts of a demented megalomaniac (which is the only alternative), then of course the spectacle exhibited by the Church (in the sense of clergy) in history and today is simply evidence of a gigantic fraud. If not, however, then this spectacle is alas! only what was to be expected: it began before the first Easter, and it does not affect faith at all – except that we may and should be deeply grieved. But we should grieve on our Lord’s behalf and for Him, associating ourselves with the scandalizers not with the saints, not crying out that we cannot ‘take’ Judas Iscariot, or even the absurd & cowardly Simon Peter, or the silly women like James’ mother, trying to push her sons.

It takes a fantastic will to unbelief to suppose that Jesus never really ‘happened’

, and more to suppose that he did not say the things recorded of him – so incapable of being ‘invented’ by anyone in the world at that time : such as ‘before Abraham came to be lam‘ (John viii). ‘He that hath seen me hath seen the Father‘ (John ix); or the promulgation of the Blessed Sacrament in John v: ‘He that eateth my flesh and drinketh my blood hath eternal life‘. We must therefore either believe in Him and in what he said and take the consequences; or reject him and take the consequences.

About the importance of Communion

I find it for myself difficult to believe that anyone who has ever been to Communion, even once, with at least right intention, can ever again reject Him without grave blame.

Elevation of the chalice after the consecration during a Solemn Mass.

(However, He alone knows each unique soul and its circumstances.) The only cure for sagging of fainting faith is Communion. Though always Itself, perfect and complete and inviolate, the Blessed Sacrament does not operate completely and once for all in any of us. Like the act of Faith it must be continuous and grow by exercise. Frequency is of the highest effect. Seven times a week is more nourishing than seven times at intervals. Also I can recommend this as an exercise (alas! only too easy to find opportunity for):

make your communion in circumstances that affront your taste.

Choose a snuffling or gabbling priest or a proud and vulgar friar; and a church full of the usual bourgeois crowd, ill-behaved children – from those who yell to those products of Catholic schools who the moment the tabernacle is opened sit back and yawn – open necked and dirty youths, women in trousers and often with hair both unkempt and uncovered. Go to Communion with them (and pray for them). It will be just the same (or better than that) as a mass said beautifully by a visibly holy man, and shared by a few devout and decorous people. (It could not be worse than the mess of the feeding of the Five Thousand – after which [Our] Lord propounded the feeding that was to come.)V

About the Pope, Reformation and Vatican II

I myself am convinced by the Petrine claims, nor looking around the world does there seem much doubt which (if Christianity is true) is the True Church, the temple of the Spirit dying but living, corrupt but holy, self-reforming and rearising.

But for me that Church of which the Pope is the acknowledged head on earth has as chief claim that it is the one that has (and still does) ever defended the Blessed Sacrament, and given it most honour, and put it (as Christ plainly intended) in the prime place. ‘Feed my sheep‘ was His last charge to St Peter; and since His words are always first to be understood literally, I suppose them to refer primarily to the Bread of Life. It was against this that the W. European revolt (or Reformation) was really launched – ‘the blasphemous fable of the Mass’ – and faith/works a mere red herring.

I suppose the greatest reform of our time was that carried out by St Pius X: surpassing anything, however needed, that the [Second Vatican] Council will achieve. I wonder what state the Church would now be but for it.

Conclusion- ‘I failed as a father’

This is rather an alarming and rambling disquisition to write! It is not meant to be a sermon! I have no doubt that you know as much and more. I am an ignorant man, but also a lonely one. And I take the opportunity of a talk, which I am sure I should now never take by word of mouth. But, of course, I live in anxiety concerning my children: who in this harder crueller and more mocking world into which I have survived must suffer more assaults than I have. But I am one who came up out of Egypt, and pray God none of my seed shall return thither. I witnessed (half-comprehending) the heroic sufferings and early death in extreme poverty of my mother who brought me into the Church; and received the astonishing charity of [Fr.] Francis Morgan. But I fell in love with the Blessed Sacrament from the beginning – and by the mercy of God never have fallen out again: but alas! Indeed did not live up to it. I brought you all up ill and talked to you too little. Out of wickedness and sloth I almost ceased to practise my religion – especially at Leeds, and at 22 Northmoor Road. Not for me the Hound of Heaven, but the never-ceasing silent appeal of Tabernacle, and the sense of starving hunger. I regret those days bitterly (and suffer for them with such patience as I can be given); most of all because I failed as a father.

Now I pray for you all, unceasingly, that the Healer (the Hælend as the Saviour was usually called in Old English) shall heal my defects, and that none of you shall ever cease to cry Benedictus qui venit in nomme Domini.

J.R.R. Tolkien

Source

J.R.R. Tolkien, red. Humphrey Carpenter, Christopher Tolkien, The Letters of J.R.R. Tolkien (1981 London).

Cinematografische spiegel van het verleden. Debatten over de waarde van de historische film

Het is steeds moeilijker voor historici om de door hun onderzoek vergaarde inzichten bij het brede publiek onder de aandacht te brengen. Tegelijkertijd blijft de aantrekkingskracht van historische films dominant. De belangrijkste bron over het verleden voor de gemiddelde mens zijn visuele media, zo stelt Robert A. Rosenstone.[1] Het is daarom niet meer dan logisch dat historici ook aandacht besteden aan historische films en de wijze waarop deze het verleden representeren. Wat zijn de beperkingen en mogelijkheden van de film als geschiedschrijving?

In 2009 publiceerde geschiedfilosoof Marnie Hughes-Warrington als redacteur The History on Film Reader, een historiografisch overzicht van het wetenschappelijke debat over de historische film van de afgelopen dertig jaar. Hughes-Warrington wil het debat concentreren op de mogelijkheid films als historisch middel in te zetten. Tegelijkertijd stelt ze ook voor te reflecteren op de huidige historische methode die schrift privilegieert over visueel materiaal.[2] In dit essay zal ik een schets maken van het debat onder historici over de waarde van de historische film. Dit zal ik doen aan de hand van de artikelen van visueel historicus Robert A. Rosenstone, filmcriticus en historicus Pierre Sorlin, historicus van de Oudheid Lloyd Llewellyn-Jones en genderhistoricus Martha Driver.

De historiografie omtrent historische films heeft zich lange tijd beperkt tot het bekritiseren van de wijze waarop films het verleden reconstrueren. Volgens Hughes-Warrington wordt film als medium doorgaans als inferieur gezien ten opzichte van geschreven geschiedenis omdat historische films niet voldoen aan de standaard voor wetenschappelijk onderzoek. Rosenstone gaat hier verder op in aan de hand de verfilming van zijn boek over John Reed: Reds (1981). Volgens hem voldoet Reds niet aan de eisen omtrent feitelijkheid en falsificatie die aan historisch onderzoek gesteld worden. De dynamische historische werkelijkheid wordt in een lineair verhaal gegoten, waarmee volgens Rosenstone alle nuance verdwijnt. Door het ontbreken van voetnoten en dwarsverwijzingen is een film in tegenstelling tot geschreven geschiedenis bovendien niet falsificeerbaar.[3] Om deze reden publiceerde historicus Natalie Zemon Davis na haar bijdrage aan de film Le retour de Martin Guerre (1982) een geschreven historische studie over haar onderzoek.[4]

Ook Llewellyn-Jones reflecteert op de beperkingen van het medium aan de hand van persoonlijke ervaring met een filmproductie. Llewellyn-Jones stelt dat, ondanks het respect voor de historische werkelijkheid van regisseur Oliver Stone en het grote oog voor detail van het production design, de film Alexander (2004) een zeer ahistorisch beeld schetst van de historische werkelijkheid. De film bevestigd de stereotype opvattingen over de tegenstelling tussen Oost en West die Edward Said als Oriëntalisme heeft aanduid. Volgens Llewellyn-Jones is de oorzaak hiervan de mis-en-scène en het feit dat een film vanuit een modern perspectief is geschreven.[5]

Dit laat zien dat het geen zin heeft als historici zich beperken tot het bekritiseren van de historische accuraatheid van films, zoals Pierre Sorlin betoogd.[6] Volgens Hughes-Warrington wijzen historici voornamelijk op gebreken van historische films. De laatste dertig jaar zijn er echter steeds meer historici die theoretiseren over de eigen waarde van film en de complementariteit tussen film en geschreven geschiedenis.[7] Zo pleit Sorlin ervoor om een film als fictie in zijn eigen waarde te laten en de interactie te onderzoeken tussen historische films en de geschiedenis. Een film is volgens Sorlin namelijk een indicator van het historische perspectief van een samenleving. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar welke informatie vanzelfsprekend wordt geacht, wat voor perspectief er geboden wordt en wat dat ons zegt over de perceptie van het verleden.[8] Dat sluit aan bij Llewellyn-Jones’ ondervinding dat een film historisch is omdat het een product is van zijn eigen tijd door de invloed van moderne (esthetische) voorkeuren.[9]

Ook Martha Driver wil film in zijn eigen waarde analyseren. Zij pleit er zelfs voor om films een centrale plaats te geven in historisch onderwijs. Als, zoals Sorlin betoogd, een film als werk van fictie wordt gezien kan het – juist door de historische onjuistheden – ons iets leren over perceptie van het verleden. Bovendien hoeft een film volgens Driver geen accuraat beeld te schetsen van de historische werkelijkheid om ons iets te leren over die historische werkelijkheid. Driver noemt hierbij als voorbeeld Eric Rohmer’s Perceval le Gallois (1978). Rohmer pretendeert niet het historische verleden te representeren in zijn film, maar de visie op dit verleden zoals beschreven in Chrétien de Troyes’ twaalfde-eeuwse geschriften. Rohmer’s film kan ons dus iets leren over ‘the Medieval period as it saw itself’.[10]

De beperkingen van film als medium die eerder zijn besproken door Rosenstone en Llewellyn-Jones hoeven sinds de introductie van de DVD volgens Driver geen probleem meer te zijn. De technologie van de DVD (en meer recent Blu-ray of streaming) maakt het namelijk wel degelijk mogelijk om dwarsverwijzingen en voetnoten in een film te gebruiken. Ook ontkracht Driver het bezwaar dat films per definitie minder accuraat zijn dan geschreven geschiedenis omdat er altijd sprake zou moeten zijn van een simplistisch lineair verhaal. Zij verwijst naar Benjamin Christensen’s Häxan (1922), een film die niet narratief of reconstructie maar historisch inzicht centraal stelt. De korte documentaires over het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de film, die zijn opgenomen op de DVD-uitgave van Criterion, zouden gezien kunnen worden als audiovisuele voetnoten.[11]

Concluderend kunnen we stellen dat de historiografie zich heeft ontwikkeld van films bekritiseren en het onder de aandacht brengen van beperkingen van film als medium, naar theoretisering over de rol van film in de geschiedschrijving. Waar film lang werd gespiegeld aan geschreven geschiedenis komt er steeds meer aandacht voor de geheel eigen waarde die films voor historici kunnen hebben. Wanneer we ons als historici enkel richten op geschreven geschiedschrijving miskennen we het feit dat film voor de meerderheid van de mensen een belangrijke bron over het verleden is. Een film is dus niet alleen spiegel van een (fictief) verleden, maar ook een spiegel van het referentiekader van de tijd en cultuur waarin zij geproduceerd is. Grotere aandacht voor film en het actief inzetten van film als medium zou wellicht een mogelijkheid kunnen zijn om het algemeen publiek te overtuigen van de toegevoegde waarde van de geschiedwetenschap.

Bibliografie

Driver, M., ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass, 5 (2007), 159-171.

Hughes-Warrington, M., ‘Introducing historical film’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

Hughes-Warrington, M., ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 13-14.

Llewellyn-Jones, L., ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

Sorlin, P., ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

Rosenstone, R.A., ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-40.

[1] Robert A. Rosenstone, ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-32, 39-40.

[2] Marnie Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

[3] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’; Rosenstone, ‘History in images/history in words’.

[4] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass 5 (2007), 159-171.

[5] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

[6] Pierre Sorlin, ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

[7] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’.

[8] Pierre Sorlin, ‘The film in history’.

[9] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!”.

[10] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film’.

[11] Ibidem.

Het Rijke Roomse Leven op het witte doek

De periode tussen 1860 en 1960 in het Katholieke zuiden van Nederland wordt vaak aangeduid met ‘het Rijke Roomse Leven’. In dit artikel wil ik stilstaan bij representaties van het Katholicisme en het leven in de Nederlandse provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland en België in het algemeen. Ook besteed ik aandacht aan Nederlandse films over het katholicisme van elders.

Daens (1992)

Daens van Stijn Coninx verteld het verhaal van priester Adolf Daens. Aan het eind van de 19e eeuw heerst er grote armoede onder de Vlaamse fabrieksarbeiders van Aalst. Kinderen sterven van de honger en aan ongelukken in de fabriek. Daens zet zich in voor de situatie van de armen. Tot ongenoegen van de Franse fabriekseigenaren en de Katholieke partij, waarop Daens de eerste Christen-democratische partij van België opricht. De Kerk is niet blij met de onderlinge strijd tussen Christen-democraten en de Katholieke partij.

Dit is waarschijnlijk de beste film die hier behandeld wordt. Op meesterlijke wijze vertolkt Jan Decleir de nobele priester Daens, die het tegen wil en dank opneemt voor de Vlaamse fabrieksarbeiders. Helemaal positief over de behoudende kerk is de film niet, maar deze priester is ondubbelzinnig de held van het verhaal. Het tijdsbeeld is bovendien bijzonder indrukwekkend en historisch getrouw.

De Partizanen (1995)
Deze Limburgse  mini-serie van Theu Boermans verteld over het lokale verzet in de omgeving van Venlo. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog komt de bevrijding steeds dichterbij. De verzetsgroep Limburg-Noord uit Baarlo (nabij Venlo) besluit om zoveel mogelijk Duitsers buiten strijd te stellen en gevangen te nemen tot de Amerikanen komen. Maar dan mislukt Arnhem en moeten ze de gevangenen steeds langer vasthouden. Aanvankelijk verzetten de gevangen zich niet, maar dat veranderde allemaal na de komst van de jonge SS’er Beck. 50 jaar later worden de overlevende verzetsleden en één Duitse soldaat door een onderzoeksjournalist ondervraagt…

Op indrukwekkende wijze weet Boermans deze lokale geschiedenis tot leven te wekken. Het Limburgs dialect, de boerderijen, de heiligenbeelden-fabriek en het feit dat de gevangen Duitse soldaten zelfs een speciale mis bij kunnen wonen tonen aan dat dit een film van het Rijke Roomse Leven is.

De Tweeling (2002)
Deze sterke Nederlandse oorlogsfilm van Ben Sombogaart is gebaseerd op het boek van Tessa de Loo. Na de dood van hun ouders groeien de tweelingzusjes Lotte en Anna Bamberg gescheiden op. Anna blijft in Duitsland en moet haar hele leven hard werken voor anderen. Lotte verhuist naar een Nederlandse familie die haar op het eerste gezicht alle kansen biedt. Aanvankelijk missen de zussen elkaar en proberen ze alles om weer bij elkaar te zijn. Omstandigheden en de tijd waarin ze leven zorgen echter voor obstakels die groter zijn dan de band die ze altijd voelen. Anna trouwt met een SS-officier die aan het einde van de oorlog sneuvelt. Lottes verloofde wordt vermoord in Auschwitz. Vijftig jaar na hun laatste, pijnlijke ontmoeting probeert Anna nog één keer in contact te komen met haar tweelingzus.

Het verhaal over het Duitse zusje laat zien hoe het Katholieke leven er in bijvoorbeeld de regio Niederrhein moet hebben uitgezien tijdens de opkomst van het Nationaal-socialisme en de oorlog. Zij woonde namelijk bij ‘domme katholieke boeren’ volgens de pleegouders van haar protestantse Nederlandse zus. Ook deze film geeft een indrukwekkend tijdsbeeld van de verzuiling in oorlogstijd.

De Bende van Oss (2011)
In de jaren dertig maakte de Bende van Oss, ook bekend als De bende van Toon de Soep, Zuid-Nederland onveilig. De bende pleegde een reeks overvallen en ettelijke moorden. De politie had het nakijken en de bendeleden groeiden uit tot volkshelden. Uiteindelijk werd de hulp ingeroepen van een brigade van de marechaussee. De marechaussee kwam echter veel meer op het spoor dan ordinaire misdaad: corruptie door de overheid, verkrachting door een bekende fabrikant en kindermisbruik door pastoors. Via de kreeg de zaak landelijke bekendheid. De gewelddadige botsingen tussen het Osse proletariaat, de katholieken en de protestanten leidden in 1939 tot een conflict tussen Noord en Zuid, tussen katholieken en de rest van Nederland. Voor de katholieke minister van Justitie betekende De zaak Oss het einde van zijn politieke loopbaan.

De film is losjes gebaseerd op het boek van Martin Schouten. Ondanks het feit dat regisseur André van Duren uit het Brabantse Reek komt valt op hoe negatief de benadering van het Brabantse leven is. Iedereen in Oss is een boef en alle katholieken worden als schijnheilig belicht. Uit alle films is dit dan ook verreweg de meest negatieve representatie. Maar goed, ze laten ook zien dat de protestantse Marechaussees NSB’ers waren en de “katholieke boeven” uit Oss in het verzet zaten tijdens de oorlog.

Hemel op Aarde (2013)
1979, Limburg. Bart is een misdienaar die alles zo goed mogelijk wil doen. Dan komen er Belgen uit de grote stad in het dorp komen wonen. Bart’s moeder en Onkel Sjef (die pastoor is) waarschuwen Bart nog dat hij niet met dit soort mensen moet omgaan. Maar het is al te laat, want Bart is bevriend geworden de brutale Peter en tot over zijn oren verlieft op zijn knappe zus Moniek. Naarmate Bart meer omgaat met Moniek gaat het steeds slechter met zijn gezin en hij denkt dat God hem wil straffen. Als Moniek steeds zieker wordt, wordt Bart’s geloof op de proef gesteld.

Deze film van regisseur Pieter Kuijpers heeft muziek van Rowwen Hèze en is heerlijk nostalgisch. De pastoor Onkel Sjef (gespeeld door Huub Stapel) is een bijzonder strenge priester die heel erg hamert op de zonde (opmerkelijk gezien de film zich in de hoogtijdagen van het modernisme afspeelt). De manier waarop Bart goed probeert te doen er worstelt met zijn geloof is bijzonder goed verbeeld.

Hoewel de film negatief is over de alomaanwezigheid van de Kerk in het dagelijks leven en de leer als hypocriet verbeeld (met name Onkel Sjef komt er slecht van af), maakt de nostalgie veel goed. Bijzonder prachtig was ook het einde in het Maria-bedevaartsoord.

Limburgia (2017)

Limburgia is een expirimentele film van Noël Lozen. Willie (60) krijgt zijn jaarlijkse kans om koning van Schutterij Limburgia te worden. Hij zet alles op alles om eindelijk deze belangrijke eretitel te bemachtigen. Maar ondanks Willies onvermoeibare voorbereidingen gaat op de grote dag alles mis. Wanneer zijn vrouw Fien komt te overlijden, slaat Willie definitief door. Als een waar eenmansleger verdedigt hij het schutterslokaal tegen de verbouwingsplannen van de burgemeester terwijl hij verbeten probeert zijn vrouw postuum tot koningin te kronen.

Deze art-film gaat over het vastklampen aan de (zuid-)Limburgse identiteit en de restanten van het verenigingsleven van het Rijke Roomse Leven.

Overige films (moeten nog behandeld worden)
– Dorp aan de Rivier (1958)
– Vaarwel (1973)
– Dagboek van een Herdershond (1978-1980)
– Het Verdriet van België (1995)

Zaaien op onvruchtbare grond? Sporen van het boerenleven van de late Middeleeuwen

Onderzoek naar het boerenleven van de late middeleeuwen lijkt onbegonnen werk. Niet alleen zijn bronnen bijzonder schaars, de beschikbare bronnen bevatten vaak ook geen getrouwe weergave van het boerenleven.[1] Ik betoog dat historici het best met deze problemen om kunnen gaan door altijd meerdere bronnen te gebruiken en verschillende typen bronnen elkaar te laten aanvullen.

Representaties van het boerenleven zijn terug te vinden in middeleeuwse literatuur en afbeeldingen uit verluchte manuscripten, altaarstukken en houtgravures. Het probleem van deze bronnen is dat ze door de elite en – met uitzondering van sommige altaarstukken – uitsluitend voor de elite zijn vervaardigd. Het doel was bovendien niet om een getrouwe weergave te geven van het boerenleven. Zo werden boeren bijvoorbeeld vaak gebruikt als positief of negatief voorbeeld en zodoende zeggen de bronnen weinig over echte boeren. De gekleurdheid van deze bronnen betekent echter niet dat ze volstrekt nutteloos worden. Een satirische representatie of karikatuur moest namelijk wel herkenbaar zijn, zodat de lezer of aanschouwer begreep dat het om een boer ging.[2]

Een voorbeeld uit de Lage Landen is het beroemde getijdenboek Les Très Riches Heures du duc de Berry van de Gebroeders Van Lymborch. Boeren werden hier gebruikt als karikatuur en om te spiegelen met de rijkdom aan het hof.[3] Het getijdenboek geeft echter wel inzicht welke werkzaamheden boeren in een bepaald seizoen verrichtten. In combinatie met archeologische vondsten en normatieve bronnen kan het getijdenboek ook een bron zijn voor respectievelijk de werktuigen en de kleding van boeren in deze periode.[4]

De Gebroeders van Lymborch, Les Très Riches Heures du duc de Berry,  Maart.

Bij het gebruik van economische gegevens lopen historici ook tegen problemen aan. De meeste gegevens gaan namelijk over heerlijke landerijen en kloosterdomeinen en niet over de opbrengsten van vrije boeren en gemeenschappelijke gronden. Ben Dodds heeft getracht dit probleem op te lossen door tiendenregisters (waar de volledige opbrengst in is opgenomen) te vergelijken met opbrengsten van heerlijke landerijen. Dit deed hij voor meerdere plaatsen in Zuid-Engeland, om zo betrouwbare conclusies te kunnen trekken.[5]

Archeologie vormt op veel van deze problemen een uitzondering en geeft ons betrouwbare informatie over bijvoorbeeld werktuigen en woningen. Archeologie heeft echter beperkingen. Vondsten bevatten namelijk alleen informatie over een beperkt gebied en op basis van vondsten alleen is ook weinig te zeggen over de toepassing.[6] Archeoloog Antoinette Huibers maakte een reconstructie van het twaalfde-eeuwse boerenerf in het huidige Noord-Brabant. Hiervoor bracht zij opgravingen van vierenvijftig compleet teruggevonden archeologische boerenerven in de regio in verband met studies over sociologie, antropologie en historische huisbouw. Daarmee heeft zij aannemelijk kunnen maken dat het boerenerf was opgedeeld in een apart deel voor mannelijk en voor vrouwelijk werk.[7]

Bronnen zoals literatuur, kunst, wetgeving en economische gegevens bevatten op zichzelf dus weinig betrouwbare informatie over het leven van gewone boeren. Ook archeologie op zichzelf brengt beperkingen in interpretatie met zich mee. Enkel wanneer meerdere bronnen met elkaar in verband worden gebracht, kan een historicus betrouwbare inzichten verkrijgen over het leven van boeren in de late middeleeuwen. Op die manier kan het probleem van schaarse, onbetrouwbare of ontoereikende bronnen het best worden overkomen.

 

Literatuurlijst

Alexander, J., ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

Dodds, B., ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

Huijbers, A.M.J.H., Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).

Jaritz, G., ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages. “Image” and “Reality”’, in: D. Sweeny red., Agriculture in the Middle Ages. Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

 

[1] Gerhard Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages: “Image” and “Reality”’, in: Del Sweeny (red.), Agriculture in the Middle Ages: Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

[2] Ibidem.

[3] Jonathan Alexander, ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

[4] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[5] Ben Dodds, ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

[6] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[7] Antoinette Huijbers, Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).