Corona en de Kerk – Sacramenten in tijden van crisis

Verschenen als ‘Corona en de Kerk. Sacramenten in tijden van crisis’ Impressie, Tijdschrift voor Katholiek Erfgoed Nr. 26 (Nijmegen 2020).

Naar aanleiding van de COVID-19-epidemie heeft de Nederlandse Bisschoppenconferentie begin maart alle publieke liturgische vieringen afgelast. De gevolgen zijn ingrijpend voor katholieken, die nu zondags de Heilige Mis niet kunnen bijwonen en met Pasen de Heilige Communie niet hebben kunnen ontvangen. Vandaag de dag is het echter wel mogelijk de Mis te volgen via de televisie-uitzending van de KRO-NCRV of de livestream van een lokale parochie. Daarbij wordt naast moderne technieken echter ook een beroep gedaan op een oude geloofspraktijk. De huidige situatie roept de vraag op hoe men in het verleden met zo’n crisis is omgegaan.

Zondag in tijden van crisis

Het is lang geleden dat katholieken in Nederland geen Mis konden bijwonen op zondag. Toen in 1918 Nederland werd getroffen door de Spaanse griep werden de kerken niet gesloten. Mgr. Laurentius Schrijnen (1861-1932), bisschop van Roermond, riep de gelovigen juist op naar de Mis te komen en veel te bidden. In Tilburg verzocht de pastoor ‘grieplijders’ niet naar de kerk te komen. Ook werden middeleeuwse gebeden ter afwering van de pest ingezet en werd de devotie tot pestheiligen nieuw leven in geblazen. Ook tijdens de Zwarte Dood (1347-1351) werd het uitreiken van de communie niet stopgezet. In tegendeel, priesters zetten zich met gevaar voor eigen leven in om de zieken van de communie en de laatste sacramenten te blijven voorzien. Het gevolg was dat bijna de helft van de priesters in deze tijd overleed en er meer aandacht kwam voor volksdevotie.

Het lijkt er dus op dat er tot nu toe alleen tussen 1588 en 1795, toen het in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bij wet verboden was om het katholicisme publiekelijk te belijden, op grote schaal geen publieke Missen waren in Nederland. Soms was het toch mogelijk de Mis bij te wonen in een schuilkerk of te vluchten naar een gebied dat niet tot de Republiek behoorde zoals bijvoorbeeld het Land van Ravenstein. In de zogeheten Hollandse Missie werkten in deze periode tussen de 200 en 450 priesters die op risico van verbanning in het geheim katholieken de sacramenten toedienden. Omdat het grootste deel van de gelovigen op zondag geen Mis kon bijwonen schreef schoolmeester Heyman Jacobs het boek De Sondaghs-Schole waaruit men iedere zondag gebeden en een begeleidende tekst bij het Evangelie kon lezen.

De geestelijke communie

Nu katholieken als gevolg van de corona-pandemie niet fysiek ter communie kunnen gaan wijzen de Nederlandse bisschoppen in hun nieuwsbrief van 13 maart 2020 op de mogelijkheid tot geestelijke communie: ‘door het verlangen om Christus te ontvangen, schenkt Hij ons ook door deze ‘geestelijke communie’ zijn genade’. Gedoopte katholieken kunnen door middel van gebed met een oprecht verlangen naar de Heilige Eucharistie de geestelijke communie ontvangen. De bisschoppen baseren zich hierbij op verschillende katholieke godgeleerden uit voorgaande eeuwen. In zijn Summa Theologica bespreekt Sint Thomas van Aquino (1225-1274) de achtergrond van de geestelijke communie, waarbij hij zich onder andere baseert op de kerkvader Sint Augustinus van Hippo (354-430). Men kan zowel sacramenteel – door het eten van de geconsacreerde hostie – als geestelijk – door verlangen naar de communie – de communie ontvangen. In de gebedskaart die de Nederlandse bisschoppen afgelopen maart hebben verspreid gebruiken zij de definitie die de dominicaan Johannes Tauler (1300-1361) hanteert in een van zijn preken: ”de zuiveren van hart, die vurig wensen dat hun het heilig Sacrament mocht worden gegeven, ook als dit niet mogelijk is, ontvangen de genade van het Sacrament naar de maat van hun verlangen en gesteltenis”.

In de Late Middeleeuwen werd de geestelijke communie populair omdat men ervoor vreesde de sacramentele communie te ontvangen terwijl men in een onwaardige staat verkeerde. Voor beide vormen van communie moet men in staat van genade (vrij van doodzonde) zijn, maar bij de sacramentele communie liep men ook het risico ‘zich een oordeel te eten’ door deze onwaardig te ontvangen. De Kerk stelde de gelovigen daarom verplicht om minstens eenmaal per jaar de sacramentele communie te ontvangen. Sint Thomas van Aquino stelde dat de sacramentele communie toch een zekere meerwaarde had ten opzichte van de geestelijke communie omdat men bij enkel een geestelijke communie niet de volledige vruchten van de communie ontvangt. Anderen zoals Geert Grote (1340-1384) van de Moderne Devotie en Wessel Gansfort (1419-1489) zagen vrijwel geheel af van de sacramentele communie ten gunste van de geestelijke communie.

Ook de mysticus Thomas a Kempis (1380-1471) schreef erover in zijn beroemde De Imitatione Christi. Hij vormt volgens kerkhistoricus Charles Caspers een brug tussen de middeleeuwse waardering voor de geestelijke communie en de post-tridentijnse prominentie van het sacrament van de Eucharistie. Thomas a Kempis pleit ervoor om de geestelijke communie te ontvangen wanneer men niet waardig is sacramenteel te ontvangen. In het Concilie van Trente (1545-1563) werd bevestigd dat de communie zowel sacramenteel als geestelijk ontvangen kan worden. Zondaars die ter communie gaan ontvangen enkel sacramenteel. Zij die niet ter communie gaan en een oprecht verlangen naar de Eucharistie hebben ontvangen enkel geestelijk. Tot slot ontvangen zij die in staat van genade zijn en ter communie gaan zowel sacramenteel als geestelijk.

In de periode na het Concilie van Trente zou de geestelijke communie degraderen tot een devote geloofsoefening. In 1947 verklaarde paus Pius XII echter in zijn encycliek Mediator Dei et hominum dat gelovigen die niet in staat waren de communie sacramenteel te ontvangen, zich tot de geestelijke communie moeten wenden. Volgens priester Michel Hagen is ook deze vorm van geestelijke communie halverwege de vorige eeuw in de vergetelheid geraakt. Dit kwam onder andere door het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965), waarin relatief meer aandacht kwam voor het Woord ten opzichte van de Communie die eerder bij Trente zo prominent was geweest. In Nederlandse volksmissaaltjes komt het gebed voor de geestelijke communie ook vóór het concilie al weinig voor, waarschijnlijk omdat de ziekencommunie gebracht werd naar hen die de Mis niet bij konden wonen.

De coronacrisis heeft ervoor gezorgd dat katholieken voor het eerst in een zeer lange tijd beperkte toegang hebben tot de sacramenten. Ook paus Franciscus staat stil bij de huidige situatie in zijn Paasboodschap: “Deze ziekte heeft ons niet alleen de menselijke nabijheid ontnomen, maar ook de mogelijkheid om de vertroosting die voortvloeit uit de sacramenten, met name de eucharistie en de verzoening, persoonlijk te ontvangen. In veel landen is het niet mogelijk geweest daartoe te naderen, maar de Heer heeft ons niet alleen gelaten!’”. De huidige situatie met social distancing heeft noodgedwongen aanleiding gegeven tot herwaardering van de geestelijke communie. Na te zijn gedegradeerd tot uiting van devotie en daarna zelfs vrijwel te zijn vergeten is de geestelijke communie nu noodgedwongen hersteld tot de positie die zij eerder in de Middeleeuwen had.