Betoog: Over moraliteit, nationalisme en de Gouden Eeuw-controverse

 

Graag zou ik in een korte uiteenzetting willen reageren op het artikel van Iñaki Oñorbe Genovesi in de Volkskrant, waarin historicus Geerten Waling reflecteert op de huidige tendensen in de geschiedwetenschap.

Laat ik allereerst beginnen met de kern van het artikel. Ik kan me zeker in de opvatting van de heer Waling vinden dat de geschiedschrijving op dit moment een te activistisch karakter heeft. Geschiedenis met een doel (of nuttige geschiedenis) is per definitie onwetenschappelijk. Als historicus pretendeer je immers vanuit een objectief standpunt onderzoek te doen. In de praktijk is volledige objectiviteit natuurlijk slechts een ideaal, maar zodra het niet meer het streven is gaat het naar mijn mening helemaal fout. Wanneer je – om maar een voorbeeld te noemen – zou willen onderzoeken ‘waarom de witte man altijd al anderen heeft onderdrukt’, heb je voordat je bent begonnen eigenlijk al allerlei conclusies getrokken die niet per se recht doen aan de historische werkelijkheid. Geschiedenis is altijd nuttig als het inzicht oplevert over de historische werkelijkheid, ieder ander doel staat dat in de weg. Er ontstaat namelijk een inconsistentie tussen hoe de verleden werkelijkheid was en wat wij schrijven over het verleden.

Ik zou echter ook enige nuancering aan willen brengen bij het betoog. Met de rode stift door de geschiedenisboeken gaan is namelijk wel degelijk een van de taken van de historicus (al doen we dat welteverstaan niet letterlijk, in tegendeel zelfs: we schrijven *nieuwe* boeken). Het is echter van belang dat de motieven daarvoor juist zijn. Het doel moet zijn om recht te doen aan de complexe historische werkelijkheid, niet de morele zuiverheid van het verleden bij te scherpen. Zo zou ik bijvoorbeeld willen voorstellen om te stoppen met spreken over de “donkere” Middeleeuwen waarin iedereen in de modder zat te wroeten. In plaats daarvan zouden de schoolboeken eens stil mogen staan bij bijvoorbeeld de erfenis van het kloosterleven (zonder welk onze moderne wetenschapsbeoefening niet mogelijk was geweest). Ook mag men van mij rustig de boekjes waarin gesproken wordt over de grenzeloze tolerantie en het poldermodel van de Nederlandse Republiek rustig bij het oud vuil zetten aangezien Katholieken, Joden en bepaalde Protestanten systematisch werden onderdrukt in deze Calvinistische aristocratie en de Tachtigjarige Oorlog onderdeel was van een beweging van religieuze oorlogen (burgeroorlog of vrijheidsstrijd, het is allemaal een kwestie van perspectief).

Wat betreft het Gouden Eeuw-debat, dat is mijns inziens van beide kanten pure symboolpolitiek. Dergelijke aanduidingen zijn voorwetenschappelijk en het hangt volledig af van welk perspectief je hanteert of het waardeoordeel van toepassing is. Vanuit een economisch en cultureel standpunt heeft Holland wel degelijk een Gouden Eeuw gekend. Ik ben persoonlijk noch trots, noch vol schaamte over “onze” Gouden eeuw. In de eerste plaats omdat het mijn Gouden Eeuw niet is… Mijn voorouders zaten in namelijk het Land van Ravenstein, een van de vele onafhankelijke gebieden die nooit onderdeel zijn geweest van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden… In de tweede plaats omdat ik niet mee wens te doen aan deze nieuwe erfzonde-leer waarin schuld en slachtofferschap worden gezien als iets dat erfelijk is. Wanneer we een Amerikaans discours – zonder gegronde reden – gaan toepassen op de Nederlandse situatie en allerlei symbolen (standbeelden, straatnamen, de Gouden Eeuw) uit het dagelijks leven verwijderen, waar zijn we dan mee bezig? Ook als je alles waar die symbolen voor staan moreel verwerpelijk vind, dan moet er toch juist iets zijn dat eraan blijft herinneren?

Jan Pieterszoon Coen door Ferdinand Leenhoff Hoorn.

Ik ben het helemaal met de heer Waling eens dat al die ideologische geladenheid ver van historisch onderzoek moet blijven. Dat betekend niet dat er geen ‘emancipatoire geschiedenis’ plaats kan vinden. Men moet dit mijns inziens echter niet doen door zich enkel en alleen op vrouwenonderdrukking of uitbuiting van ‘koloniale onderdanen’ te richten in isolement, maar door een geschiedenis te schrijven waar je dergelijke zaken simpelweg niet negeert en een bredere context plaatst. (Even terzijde: Ik vind (post-)koloniale geschiedenis wel degelijk een interessant en relevant onderwerp van studie. Het voegt immers iets toe.)

Waling lijkt echter naar mijn mening de nadelen van een nationale identificatie met het verleden wat te onderschatten. Het is eigenlijk onzin om te spreken van nationale geschiedenis aangezien de natie een negentiende-eeuwse uitvinding is. Bovendien is legitimatie van het vaderland net zo ideologisch geladen als al die morele lessen die men uit het verleden wil trekken. Identificatie met het verleden is prima, zolang men oppast de werkelijkheid niet in te ruilen voor een fantasie. Er was strikt genomen geen geschiedenis van Nederland voor 1815 (want er was geen Koninkrijk der Nederlanden). Om dit aan te tonen hoeft men enkel te kijken naar de grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische geschiedenis (terwijl dit toch echt voor een heel groot deel hetzelfde verhaal geweest zou moeten zijn zou men toch denken). Nog steeds schetst onze canon een buitengewoon Hollandocentrisch beeld. Wel Rembrandt, geen Breugel of Jhieronymus Bosch. Wel Floris V en Michiel de Ruyter, geen Filips de Goede, Jan van Brabant of veldheer Maarten van Rossum…

Maar goed, we kunnen niet tot in den treuren revisionistisch blijven en in school curricula moeten we niet de nuance door de strot van de scholier proberen te duwen. Laten we ons vooral bezig houden met een pure interesse in het verleden. Reconstructie, observatie en de zoektocht naar een historische sensatie. Niet met arbitraire debatten over morele zaken en nationale trots die weinig met wetenschap te maken hebben. Laten we het vooral een beetje nuchter houden.

Tot zover mijn college.

Aanbevolen literatuur voor ieder die hier dieper op in wenst te gaan:
-Herman Paul, Als het verleden trekt: kernthema’s in de geschiedsfilosofie (2014 Den Haag).

J.R.R. Tolkien about the Catholic Church and Vatican II

John Ronald Reuel Tolkien (1892, Bloemfontein – 1973, Bournemouth) was a British philologist and author, best known for his novels The Hobbit and The Lord of the Rings and his influence on the Fantasy-genre. Tolkien was also a devout Roman Catholic with a strong opinion on the changes in the Church. In this article I have collected interesting fragments from letters written by Tolkien about his views on Catholicism. (The remainder of this website is in the Dutch language.)

Tolkien pictured in Oxford, 1972.

About changes in the Church

(From a letter to Michael Tolkien, dated 25 Aug. 1967)

[…]’Trends’ in the Church are…. serious, especially to those accustomed to find in it a solace and a ‘pax’ in times of temporal trouble, and not just another arena of strife and change.

But imagine the experience of those born (as I) between the Golden and the Diamond Jubilee of Victoria. Both senses or imaginations of security have been progressively stripped away from us. Now we find ourselves nakedly confronting the will of God, as concerns ourselves and our position in Time (Vide Gandalf I 70 and III 155). ‘Back to normal’ – political and Christian predicaments – as a Catholic professor once said to me, when I bemoaned the collapse of all my world that began just after I achieved 21.

I know quite well that, to you as to me, the Church which once felt like a refuge, now often feels like a trap. There is nowhere else to go!

(I wonder if this desperate feeling, the last state of loyalty hanging on, was not, even more often than is actually recorded in the Gospels, felt by Our Lord’s followers in His earthly life-time?) I think there is nothing to do but to pray, for the Church, the Vicar of Christ, and for ourselves; and meanwhile to exercise the virtue of loyalty, which indeed only becomes a virtue when one is under pressure to desert it. There are, of course, various elements in the present situation, which are confused, though in fact distinct (as indeed in the behaviour of modern youth, pan of which is inspired by admirable motives such as antiregimentation, and anti-drabness, a sort of lurking romantic longing for ‘cavaliers’, and is not necessarily allied to the drugs or the cults of fainéance and filth).

About the Roman Catholic Church pictured as a tree

The ‘protestant’ search backwards for ‘simplicity’ and directness – which, of course, though it contains some good or at least intelligible motives, is mistaken and indeed vain. Because ‘primitive Christianity’ is now and in spite of all ‘research’ will ever remain largely unknown; because ‘primitiveness’ is no guarantee of value, and is and was in great part a reflection of ignorance. Grave abuses were as much an element in Christian ‘liturgical’ behaviour from the beginning as now. (St Paul’s strictures on eucharistic behaviour are sufficient to show this!)

Still more because ‘my church’ was not intended by Our Lord to be static or remain in perpetual childhood; but to be a living organism (likened to a plant), which develops and changes in externals by the interaction of its bequeathed divine life and history – the particular circumstances of the world into which it is set.

Caspar David Friedrich (1774–1840), Der einsame Baum (Solitary Tree), 1822, Staatliche Museen zu Berlin.

There is no resemblance between the ‘mustard-seed’ and the full-grown tree. For those living in the days of its branching growth the Tree is the thing, for the history of a living thing is pan of its life, and the history of a divine thing is sacred. The wise may know that it began with a seed, but it is vain to try and dig it up, for it no longer exists, and the virtue and powers that it had now reside in the Tree. Very good: but in husbandry the authorities, the keepers of the Tree, must look after it, according to such wisdom as they possess, prune it, remove cankers, rid it of parasites, and so forth. (With trepidation, knowing how little their knowledge of growth is!) But they will certainly do harm, if they are obsessed with the desire of going back to the seed or even to the first youth of the plant when it was (as they imagine) pretty and unafflicted by evils. The other motive (now so confused with the primitivist one, even in the mind of any one of the reformers): aggiornamento: bringing up to date: that has its own grave dangers, as has been apparent throughout history. With this ‘ecumenicalness’ has also become confused.

About ecumenism and charity

I find myself in sympathy with those developments that are strictly ‘ecumenical’, that is concerned with other groups or churches that call themselves (and often truly are) ‘Christian’. We have prayed endlessly for Christian re-union, but it is difficult to see, if one reflects, how that could possibly begin to come about except as it has, with all its inevitable minor absurdities. An increase in ‘charity’ is an enormous gain. As Christians those faithful to the Vicar of Christ must put aside the resentments that as mere humans they feel – e.g. at the ‘cockiness’ of our new friends (esp. C[hurch] of E[ngland]). One is now often patted on the back, as a representative of a church that has seen the error of its ways, abandoned its arrogance and hauteur, and its separatism; but I have not yet met a ‘protestant’ who shows or expresses any realization of the reasons in this country for our attitude : ancient or modern : from torture and expropriation down to ‘Robinson’ and all that. Has it ever been mentioned that R[oman] C[atholic]s still suffer from disabilities not even applicable to Jews? As a man whose childhood was darkened by persecution, I find this hard. But charity must cover a multitude of sins! There are dangers (of course), but a Church militant cannot afford to shut up all its soldiers in a fortress. It had as bad effects on the Maginot Line.

About his education

I owe a great deal (and perhaps even the Church a little) to being treated, surprisingly for the time, in a more rational way. Fr Francis obtained permission for me to retain my scholarship at K[ing] E[dward’s] S[chool] and continue there, and so I had the advantage of a (then) first rate school and that of a ‘good Catholic home’ – ‘in excelsis’: virtually a junior inmate of the Oratory house, which contained many learned fathers (largely ‘converts’). Observance of religion was strict. Hilaryand I were supposed to, and usually did, serve Mass before getting on our bikes to go to school in New Street. So I grew up in a two-front state, symbolizable by the Oratorian Italian pronunciation of Latin, and the strictly ‘philological’ pronunciation at that time introduced into our Cambridge dominated school. I was even allowed to attend the Headmaster’s classes on the N[ew] T[estament] (in Greek). I certainly took no ‘harm’, and was better equipped ultimately to make my way in a non-Catholic professional society.[…]

About scandals and faith

(From a letter to Michael Tolkien, dated 1 November 1963)

[…]You speak of ‘sagging faith’, however. That is quite another matter:

In the last resort faith is an act of will, inspired by love. Our love may be chilled and our will eroded by the spectacle of the shortcomings, folly, and even sins of the Church and its ministers, but I do not think that one who has once had faith goes back over the line for these reasons (least of all anyone with any historical knowledge).

‘Scandal’ at most is an occasion of temptation – as indecency is to lust, which it does not make but arouses. It is convenient because it tends to turn our eyes away from ourselves and our own faults to find a scape-goat. But the act of will of faith is not a single moment of final decision : it is a permanent indefinitely repeated act > state which must go on – so we pray for ‘final perseverance’. The temptation to ‘unbelief (which really means rejection of Our Lord and His claims) is always there within us. Pan of us longs to find an excuse for it outside us. The stronger the inner temptation the more readily and severely shall we be ‘scandalized’ by others. I think I am as sensitive as you (or any other Christian) to the ‘scandals’, both of clergy and laity. I have suffered grievously in my life from stupid, tired, dimmed, and even bad priests; but I now know enough about myself to be aware that I should not leave the Church (which for me would mean leaving the allegiance of Our Lord) for any such reasons: I should leave because I did not believe, and should not believe any more, even if I had never met any one in orders who was not both wise and saintly. I should deny the Blessed Sacrament, that is: call Our Lord a fraud to His face.

If He is a fraud and the Gospels fraudulent – that is : garbled accounts of a demented megalomaniac (which is the only alternative), then of course the spectacle exhibited by the Church (in the sense of clergy) in history and today is simply evidence of a gigantic fraud. If not, however, then this spectacle is alas! only what was to be expected: it began before the first Easter, and it does not affect faith at all – except that we may and should be deeply grieved. But we should grieve on our Lord’s behalf and for Him, associating ourselves with the scandalizers not with the saints, not crying out that we cannot ‘take’ Judas Iscariot, or even the absurd & cowardly Simon Peter, or the silly women like James’ mother, trying to push her sons.

It takes a fantastic will to unbelief to suppose that Jesus never really ‘happened’

, and more to suppose that he did not say the things recorded of him – so incapable of being ‘invented’ by anyone in the world at that time : such as ‘before Abraham came to be lam‘ (John viii). ‘He that hath seen me hath seen the Father‘ (John ix); or the promulgation of the Blessed Sacrament in John v: ‘He that eateth my flesh and drinketh my blood hath eternal life‘. We must therefore either believe in Him and in what he said and take the consequences; or reject him and take the consequences.

About the importance of Communion

I find it for myself difficult to believe that anyone who has ever been to Communion, even once, with at least right intention, can ever again reject Him without grave blame.

Elevation of the chalice after the consecration during a Solemn Mass.

(However, He alone knows each unique soul and its circumstances.) The only cure for sagging of fainting faith is Communion. Though always Itself, perfect and complete and inviolate, the Blessed Sacrament does not operate completely and once for all in any of us. Like the act of Faith it must be continuous and grow by exercise. Frequency is of the highest effect. Seven times a week is more nourishing than seven times at intervals. Also I can recommend this as an exercise (alas! only too easy to find opportunity for):

make your communion in circumstances that affront your taste.

Choose a snuffling or gabbling priest or a proud and vulgar friar; and a church full of the usual bourgeois crowd, ill-behaved children – from those who yell to those products of Catholic schools who the moment the tabernacle is opened sit back and yawn – open necked and dirty youths, women in trousers and often with hair both unkempt and uncovered. Go to Communion with them (and pray for them). It will be just the same (or better than that) as a mass said beautifully by a visibly holy man, and shared by a few devout and decorous people. (It could not be worse than the mess of the feeding of the Five Thousand – after which [Our] Lord propounded the feeding that was to come.)V

About the Pope, Reformation and Vatican II

I myself am convinced by the Petrine claims, nor looking around the world does there seem much doubt which (if Christianity is true) is the True Church, the temple of the Spirit dying but living, corrupt but holy, self-reforming and rearising.

But for me that Church of which the Pope is the acknowledged head on earth has as chief claim that it is the one that has (and still does) ever defended the Blessed Sacrament, and given it most honour, and put it (as Christ plainly intended) in the prime place. ‘Feed my sheep‘ was His last charge to St Peter; and since His words are always first to be understood literally, I suppose them to refer primarily to the Bread of Life. It was against this that the W. European revolt (or Reformation) was really launched – ‘the blasphemous fable of the Mass’ – and faith/works a mere red herring.

I suppose the greatest reform of our time was that carried out by St Pius X: surpassing anything, however needed, that the [Second Vatican] Council will achieve. I wonder what state the Church would now be but for it.

Conclusion- ‘I failed as a father’

This is rather an alarming and rambling disquisition to write! It is not meant to be a sermon! I have no doubt that you know as much and more. I am an ignorant man, but also a lonely one. And I take the opportunity of a talk, which I am sure I should now never take by word of mouth. But, of course, I live in anxiety concerning my children: who in this harder crueller and more mocking world into which I have survived must suffer more assaults than I have. But I am one who came up out of Egypt, and pray God none of my seed shall return thither. I witnessed (half-comprehending) the heroic sufferings and early death in extreme poverty of my mother who brought me into the Church; and received the astonishing charity of [Fr.] Francis Morgan. But I fell in love with the Blessed Sacrament from the beginning – and by the mercy of God never have fallen out again: but alas! Indeed did not live up to it. I brought you all up ill and talked to you too little. Out of wickedness and sloth I almost ceased to practise my religion – especially at Leeds, and at 22 Northmoor Road. Not for me the Hound of Heaven, but the never-ceasing silent appeal of Tabernacle, and the sense of starving hunger. I regret those days bitterly (and suffer for them with such patience as I can be given); most of all because I failed as a father.

Now I pray for you all, unceasingly, that the Healer (the Hælend as the Saviour was usually called in Old English) shall heal my defects, and that none of you shall ever cease to cry Benedictus qui venit in nomme Domini.

J.R.R. Tolkien

Source

J.R.R. Tolkien, red. Humphrey Carpenter, Christopher Tolkien, The Letters of J.R.R. Tolkien (1981 London).

Cinematografische spiegel van het verleden. Debatten over de waarde van de historische film

Het is steeds moeilijker voor historici om de door hun onderzoek vergaarde inzichten bij het brede publiek onder de aandacht te brengen. Tegelijkertijd blijft de aantrekkingskracht van historische films dominant. De belangrijkste bron over het verleden voor de gemiddelde mens zijn visuele media, zo stelt Robert A. Rosenstone.[1] Het is daarom niet meer dan logisch dat historici ook aandacht besteden aan historische films en de wijze waarop deze het verleden representeren. Wat zijn de beperkingen en mogelijkheden van de film als geschiedschrijving?

In 2009 publiceerde geschiedfilosoof Marnie Hughes-Warrington als redacteur The History on Film Reader, een historiografisch overzicht van het wetenschappelijke debat over de historische film van de afgelopen dertig jaar. Hughes-Warrington wil het debat concentreren op de mogelijkheid films als historisch middel in te zetten. Tegelijkertijd stelt ze ook voor te reflecteren op de huidige historische methode die schrift privilegieert over visueel materiaal.[2] In dit essay zal ik een schets maken van het debat onder historici over de waarde van de historische film. Dit zal ik doen aan de hand van de artikelen van visueel historicus Robert A. Rosenstone, filmcriticus en historicus Pierre Sorlin, historicus van de Oudheid Lloyd Llewellyn-Jones en genderhistoricus Martha Driver.

De historiografie omtrent historische films heeft zich lange tijd beperkt tot het bekritiseren van de wijze waarop films het verleden reconstrueren. Volgens Hughes-Warrington wordt film als medium doorgaans als inferieur gezien ten opzichte van geschreven geschiedenis omdat historische films niet voldoen aan de standaard voor wetenschappelijk onderzoek. Rosenstone gaat hier verder op in aan de hand de verfilming van zijn boek over John Reed: Reds (1981). Volgens hem voldoet Reds niet aan de eisen omtrent feitelijkheid en falsificatie die aan historisch onderzoek gesteld worden. De dynamische historische werkelijkheid wordt in een lineair verhaal gegoten, waarmee volgens Rosenstone alle nuance verdwijnt. Door het ontbreken van voetnoten en dwarsverwijzingen is een film in tegenstelling tot geschreven geschiedenis bovendien niet falsificeerbaar.[3] Om deze reden publiceerde historicus Natalie Zemon Davis na haar bijdrage aan de film Le retour de Martin Guerre (1982) een geschreven historische studie over haar onderzoek.[4]

Ook Llewellyn-Jones reflecteert op de beperkingen van het medium aan de hand van persoonlijke ervaring met een filmproductie. Llewellyn-Jones stelt dat, ondanks het respect voor de historische werkelijkheid van regisseur Oliver Stone en het grote oog voor detail van het production design, de film Alexander (2004) een zeer ahistorisch beeld schetst van de historische werkelijkheid. De film bevestigd de stereotype opvattingen over de tegenstelling tussen Oost en West die Edward Said als Oriëntalisme heeft aanduid. Volgens Llewellyn-Jones is de oorzaak hiervan de mis-en-scène en het feit dat een film vanuit een modern perspectief is geschreven.[5]

Dit laat zien dat het geen zin heeft als historici zich beperken tot het bekritiseren van de historische accuraatheid van films, zoals Pierre Sorlin betoogd.[6] Volgens Hughes-Warrington wijzen historici voornamelijk op gebreken van historische films. De laatste dertig jaar zijn er echter steeds meer historici die theoretiseren over de eigen waarde van film en de complementariteit tussen film en geschreven geschiedenis.[7] Zo pleit Sorlin ervoor om een film als fictie in zijn eigen waarde te laten en de interactie te onderzoeken tussen historische films en de geschiedenis. Een film is volgens Sorlin namelijk een indicator van het historische perspectief van een samenleving. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar welke informatie vanzelfsprekend wordt geacht, wat voor perspectief er geboden wordt en wat dat ons zegt over de perceptie van het verleden.[8] Dat sluit aan bij Llewellyn-Jones’ ondervinding dat een film historisch is omdat het een product is van zijn eigen tijd door de invloed van moderne (esthetische) voorkeuren.[9]

Ook Martha Driver wil film in zijn eigen waarde analyseren. Zij pleit er zelfs voor om films een centrale plaats te geven in historisch onderwijs. Als, zoals Sorlin betoogd, een film als werk van fictie wordt gezien kan het – juist door de historische onjuistheden – ons iets leren over perceptie van het verleden. Bovendien hoeft een film volgens Driver geen accuraat beeld te schetsen van de historische werkelijkheid om ons iets te leren over die historische werkelijkheid. Driver noemt hierbij als voorbeeld Eric Rohmer’s Perceval le Gallois (1978). Rohmer pretendeert niet het historische verleden te representeren in zijn film, maar de visie op dit verleden zoals beschreven in Chrétien de Troyes’ twaalfde-eeuwse geschriften. Rohmer’s film kan ons dus iets leren over ‘the Medieval period as it saw itself’.[10]

De beperkingen van film als medium die eerder zijn besproken door Rosenstone en Llewellyn-Jones hoeven sinds de introductie van de DVD volgens Driver geen probleem meer te zijn. De technologie van de DVD (en meer recent Blu-ray of streaming) maakt het namelijk wel degelijk mogelijk om dwarsverwijzingen en voetnoten in een film te gebruiken. Ook ontkracht Driver het bezwaar dat films per definitie minder accuraat zijn dan geschreven geschiedenis omdat er altijd sprake zou moeten zijn van een simplistisch lineair verhaal. Zij verwijst naar Benjamin Christensen’s Häxan (1922), een film die niet narratief of reconstructie maar historisch inzicht centraal stelt. De korte documentaires over het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de film, die zijn opgenomen op de DVD-uitgave van Criterion, zouden gezien kunnen worden als audiovisuele voetnoten.[11]

Concluderend kunnen we stellen dat de historiografie zich heeft ontwikkeld van films bekritiseren en het onder de aandacht brengen van beperkingen van film als medium, naar theoretisering over de rol van film in de geschiedschrijving. Waar film lang werd gespiegeld aan geschreven geschiedenis komt er steeds meer aandacht voor de geheel eigen waarde die films voor historici kunnen hebben. Wanneer we ons als historici enkel richten op geschreven geschiedschrijving miskennen we het feit dat film voor de meerderheid van de mensen een belangrijke bron over het verleden is. Een film is dus niet alleen spiegel van een (fictief) verleden, maar ook een spiegel van het referentiekader van de tijd en cultuur waarin zij geproduceerd is. Grotere aandacht voor film en het actief inzetten van film als medium zou wellicht een mogelijkheid kunnen zijn om het algemeen publiek te overtuigen van de toegevoegde waarde van de geschiedwetenschap.

Bibliografie

Driver, M., ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass, 5 (2007), 159-171.

Hughes-Warrington, M., ‘Introducing historical film’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

Hughes-Warrington, M., ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 13-14.

Llewellyn-Jones, L., ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

Sorlin, P., ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

Rosenstone, R.A., ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-40.

[1] Robert A. Rosenstone, ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-32, 39-40.

[2] Marnie Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

[3] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’; Rosenstone, ‘History in images/history in words’.

[4] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass 5 (2007), 159-171.

[5] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

[6] Pierre Sorlin, ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

[7] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’.

[8] Pierre Sorlin, ‘The film in history’.

[9] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!”.

[10] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film’.

[11] Ibidem.