Interview: Hans Walther over Alfred Hitchcock

 

Hans Walther is een Nederlandse animatieregisseur, filmeditor en filmkenner. Voornamelijk bekend van De Sprookjesboom, Café De Wereld en Onderweg naar morgen.  Momenteel werkt hij aan de nieuwe serie van Nijntje en geeft hij lezingen en workshops over film en animatie.

B: Hoe ben je voor het eerst in aanraking gekomen met de films van Hitchcock?
H: Ik denk dat het begonnen is met iets dat Hitchcock niet zelf had geregisseerd, namelijk de televisieserie Alfred Hitchcock Presents die ze in de jaren ’60 iedere week uitzonden in Nederland. Daar deed hij dan altijd een soort introductie en dan kreeg je een korte film van een half uur te zien.

Zijn films ben ik pas gaan kijken toen ik al op de filmacademie zat, dus toen was ik al een jaar of 18. De eerste film die ik van hem zag zal waarschijnlijk The Birds zijn geweest op televisie. In die tijd was hij al aan zijn eind natuurlijk, hij maakte toen nog wel Frenzy en Family Plot en die heb ik ook in de bioscoop gezien. Later toen al zijn films opnieuw uitgebracht werden heb ik die ook allemaal in de bioscoop gezien. Toen ik Vertigo in Tuschinski voor het eerst op het witte doek zag vond ik dat erg indrukwekkend.

B: Is Vertigo ook de film van Hitchcock die het meeste indruk op je heeft gemaakt?
H: Het is mijn favoriete Hitchcock. The Birds was indrukwekkend omdat ik die als kind op tv had gezien, maar in retrospectief is Vertigo toch wel de film die de meeste invloed op mij heeft gehad.

B: Op welke manier heeft Hitchcock jou beïnvloed in je eigen werk?
H: Het is vooral het visuele vocabulaire dat Hitchcock bedacht heeft. Hij was natuurlijk een grote vernieuwer in die tijd, veel dingen die we nu heel normaal vinden heeft hij voor het eerst gedaan. Maar ook rare experimenten als Rope, die helemaal uit één shot bestaat of The Birds en Rear Window, waar geen muziek in zit.

Verder is er ook het moment van een close-up. Ik heb 7 jaar een soap geregisseerd – Onderweg naar Morgen – en het moment waarop je met de close komt is echt iets dat ik van Hitchcock heb geleerd. Eerst een over-the-sholder, dan een medium, nog even een insert van een telefoon ofzo en dan kom je met de close-up van een persoon. Dat moment is ontzettend belangrijk.

Ik weet niet meer precies voor welke film het was, ik geloof Rebecca, maar het schijnt dat Hitchcock een keer een lampje heeft laten maken voor in een glas melk, zodat alle aandacht op het glas melk gericht is. Een raar experiment eigenlijk, maar het werkt wel want je weet meteen dat er iets met die melk is. Verder heb je dan ook nog dat extreem lange shot uit Frenzy waar je ziet hoe de camera achteruit de trap af gaat en dan helemaal de straat oversteekt. Als je heel goed kijkt naar de mensen op straat zie je natuurlijk dat er een schnitt in zit, ze moesten namelijk de rails even verwisselen. Tegenwoordig is daar natuurlijk geen kunst meer aan met steadycams en drones, maar Hitchcock deed dat al in een tijd toen het nog niet zo makkelijk was.

Brian De Palma heeft veel van Hitchcock overgenomen en je zou wel kunnen zeggen dat ik in de jaren ’70 en ’80 meer een De Palma-fan dan een Hitchcock-fan was. Van De Palma heb ik zelf ook letterlijk citaten gebruikt in mijn films. In Dressed To Kill zie je af en toe dat Angie Dickinson ergens aan denk en dan komt er een soort gedachtenwolkje met een flashback. In mijn tweede korte film Crime de la crime heb ik dat letterlijk nagemaakt. Gerard Thoolen speelde daar een schurk en die kijkt omhoog en dan krijg je ook zo’n wolkje. In die zelfde film zitten ook twee vrouwen tv te kijken en dan hoor je het geluid van Vertigo.

B: Wat vind jij zelf het meest kenmerkend aan het werk van Alfred Hitchcock?
H: Ik denk de trefzekerheid van zijn shots en de schijnbare eenvoud. Als je een Hitchcock film zit te kijken lijkt het allemaal heel simpel, maar als je het dan gaat analyseren blijkt het ongelofelijk intelligent in elkaar te zitten. Dat komt natuurlijk door goede voorbereiding. Het belangrijkste vond hij het script en het storyboard en het draaien van de film zelf was iets waar hij dan weer erg tegenop zag. Ik denk dat hij daarom ook veel gebruik maakte van studio-opnames, omdat hij dan meer controle had over hoe de film eruit zou gaan zien.

Wat ik ook wel een kenmerk van Hitchcock’s films vind is dat je tijdens het kijken alles pikt, achteraf blijken dingen misschien een beetje onlogisch te zijn, maar het gaat natuurlijk om de kijkervaring zelf. Bij sommige films van anderen heb je vaak dat je tijdens de film al denkt van “dit is toch wel een beetje raar of onlogisch”, maar niet bij Hitchcock.

B: We hadden het eerder al over Frenzy. Sommige mensen zien Frenzy als Hitchcock’s tegenreactie op de Giallo, hoe denk jij daarover?
H: Dat zou betekenen dat Hitchcock op de hoogte was van de Giallo en dat weet ik niet. Ik denk niet dat Hitchcock iemand was die zich wat aantrok van wat andere mensen vonden of nadeden. Hij was natuurlijk wel boos op De Palma over Obsession, maar verder denk ik niet dat hij daar echt me bezig was. Ik denk eerder dat hij een beetje genoeg had van de censuur in Hollywood en in de jaren ’70 kon natuurlijk ook wat meer.

B: Je kent Dario Argento? In Italië staat hij bekend als de Italiaanse Hitchcock, maar critici noemen hem soms ook de Anti-Hitchcock, hoe denk jij daarover?
H: Hitchcock was natuurlijk altijd van de suggestiviteit en Argento liet het allemaal expliciet zien. Bij de moordscène in Psycho zie je nergens een mes een lichaam ingaan, terwijl je in Suspiria zelfs ziet hoe een mes een hart doorboort. En verder denk ik dat er geen enkele regisseur is die niet in zekere mate is beïnvloed door Hitchcock en zijn beeldtaal.

Qua spanningsopbouw en gebruik van geluid zie ik ook wel overeenkomsten. In het begin van Suspiria als Jessica Harper op dat vliegveld loopt en door een schuifdeur gaat stopt de muziek en hoor je buiten het onweer. Je schrikt je helemaal lam, om iets dat eigenlijk heel simpel en eenvoudig is. Wat dat betreft is Argento denk ik net zo’n experimenteel als Hitchcock was.